De rechtbank Oost-Brabant behandelde op 24 februari 2020 het verzoek van de officier van justitie tot verlenging van een crisismaatregel voor een betrokkene met ernstige dementie. De betrokkene verblijft sinds circa tweeënhalve maand op een afdeling waar vrijheidsbeperkende maatregelen zoals een Posey-bed en een rolstoel met band noodzakelijk zijn om ernstig letsel te voorkomen.
De psychiater en verpleegkundige gaven aan dat betrokkene niet naar een verpleeginstelling kan vanwege haar toestand en moeilijk te hanteren gedrag. De dochter en schoonzoon ondersteunen de zorg, hoewel zij bezorgd zijn over het behoud van betrokkene's eigenheid. De advocaat stelde dat betrokkene onder de Wet zorg en dwang (Wzd) valt, waardoor het verzoek juridisch afgewezen zou moeten worden.
De rechtbank constateert echter een dilemma: afwijzing leidt tot onaanvaardbare gevolgen, omdat betrokkene niet kan worden geplaatst in een verpleeginstelling en verblijf op de huidige afdeling met vrijheidsbeperkende maatregelen noodzakelijk is. De rechtbank verleent daarom de machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) voor drie weken.
De maatregel omvat het toedienen van medicatie, bewegingsbeperking, toezicht en opname in een accommodatie. De beschikking is op 24 februari 2020 uitgesproken en schriftelijk vastgesteld op 28 februari 2020. Tegen deze beschikking staat cassatie open.