ECLI:NL:RBOBR:2020:1442

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
10 maart 2020
Publicatiedatum
9 maart 2020
Zaaknummer
01/880557-17 ontneming
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 36f Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling wederrechtelijk verkregen voordeel bij verduistering in dienstbetrekking

De rechtbank Oost-Brabant heeft bij vonnis van 10 maart 2020 betrokkene veroordeeld voor verduistering in dienstbetrekking bij twee benadeelden, waarbij het totaal verduisterde bedrag €462.151,69 bedroeg. De rechtbank stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel gelijk aan dit bedrag vast.

De officier van justitie vorderde ontneming van dit voordeel, maar gezien eerdere civiele en strafrechtelijke uitspraken waarbij de vorderingen van de benadeelden reeds in rechte zijn toegekend, heeft de rechtbank de betalingsverplichting aan de Staat op nihil gesteld. Dit betekent dat betrokkene niet verplicht is dit bedrag aan de Staat te betalen omdat de benadeelden hun schade al via andere procedures hebben verhaald.

De rechtbank baseert haar oordeel op de bewezenverklaring van verduistering en de overeenstemming tussen het vastgestelde voordeel en de reeds toegekende bedragen aan de benadeelden. De rechtbank wijst het meer of anders gevorderde af en legt de maatregel op grond van artikel 36e Wetboek van Strafrecht.

Het vonnis is gewezen door de meervoudige kamer en uitgesproken in aanwezigheid van de griffier op 10 maart 2020.

Uitkomst: Wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op €462.151,69 met betalingsverplichting aan de Staat op nihil gesteld.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht
Parketnummer ontneming: 01/880557-17 Datum uitspraak: 10 maart 2020
Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats en -datum] 1983,
wonende te [adres] .

Onderzoek van de zaak.

De vordering van de officier van justitie strekt tot het opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 468.741,69 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 25 februari 2020.

De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.


Inleiding
Bij vonnis van de meervoudige kamer in deze rechtbank van 10 maart 2020 is betrokkene veroordeeld voor verduistering in dienstbetrekking bij [benadeelde] van een bedrag van € 273.911,90 en voor verduistering in dienstbetrekking bij [slachtoffer] van een bedrag van € 188.239,79.

De standpunten van de officier van justitie en van de verdediging.
De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de vordering strekkende tot ontneming van het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel tot een bedrag van € 468.741,69, maar heeft, gezien de voorliggende vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen [benadeelde] en [slachtoffer] , gevorderd dat de betalingsverplichting kan worden vastgesteld op nihil.
De raadsman van betrokkene heeft de rechtbank verzocht de ontnemingsvordering af te wijzen, zodat het wederrechtelijk verkregen voordeel dat door betrokkene is verkregen in termijnen kan worden betaald aan de gedupeerden.

De bewijsmiddelen.
Indien tegen dit verkort vonnis een rechtsmiddel wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op dit verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan dit verkort vonnis gehecht.

Het oordeel van de rechtbank.
De vordering is tijdig ingediend. Op grond van de bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat betrokkene voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van de feiten ter zake waarvan betrokkene is veroordeeld. Uit de bewijsmiddelen volgt immers dat het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel bestaat uit de geldbedragen die, toebehoren aan respectievelijk [benadeelde] en [slachtoffer] , en door betrokkene zijn verduisterd.
Samenvattend komt de rechtbank tot het volgende oordeel. Betrokkene heeft het volgende voordeel genoten uit de bij vonnis van 10 maart 2020 bewezen verklaarde verduisteringen in dienstbetrekking:
[benadeelde] : € 273.911,90
[slachtoffer] € 188.239,79 +
Totaal: € 462.151,69
De rechtbank zal het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel dan ook vaststellen op een bedrag van € 462.151,69.
De rechtbank zal de officier van justitie volgen in haar vordering de betalingsverplichting aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel op nihil te stellen. De rechtbank stelt vast dat verdachte bij vonnis van 3 januari 2019 (in de civiele procedure) en 10 maart 2020 (in de strafzaak) de vorderingen van [benadeelde] en [slachtoffer] , strekkende tot – onder meer – terugbetaling van de in dienstbetrekking verduisterde geldbedragen, reeds in rechte heeft toegekend gekregen. Bij voormeld vonnis in de strafzaak heeft de rechtbank ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde] een maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opgelegd tot een bedrag van € 273.901,90. De kantonrechter heeft bij vonnis van 3 januari 2019 aan de benadeelde partij [slachtoffer] in rechte een bedrag van 157.319,70 (methode 1 en 2) en van € 30.920,- (methode 3), in totaal € 188.239,79 toegekend. Nu er geen hoger beroep tegen deze beslissing is ingesteld, is het vonnis van de kantonrechter in kracht van gewijsde gegaan. De rechtbank stelt, gelet hierop, vast dat de aan de benadeelde partijen toegekende bedragen dezelfde bedragen zijn als waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat.

Toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e en 36e (oud) van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak

De rechtbank:
-
stelthet door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vast op een bedrag van € 462.151,69;
-
steltde betalingsverplichting aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel op nihil;
-
wijsthet meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. J.H.P.G. Wielders, voorzitter,
mr. R.J. Bokhorst en mr. A.M. Kooijmans-de Kort, leden,
in tegenwoordigheid van mr. M. van der Heijden, griffier,
en is uitgesproken op 10 maart 2020.