De rechtbank Oost-Brabant heeft bij vonnis van 10 maart 2020 betrokkene veroordeeld voor verduistering in dienstbetrekking bij twee benadeelden, waarbij het totaal verduisterde bedrag €462.151,69 bedroeg. De rechtbank stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel gelijk aan dit bedrag vast.
De officier van justitie vorderde ontneming van dit voordeel, maar gezien eerdere civiele en strafrechtelijke uitspraken waarbij de vorderingen van de benadeelden reeds in rechte zijn toegekend, heeft de rechtbank de betalingsverplichting aan de Staat op nihil gesteld. Dit betekent dat betrokkene niet verplicht is dit bedrag aan de Staat te betalen omdat de benadeelden hun schade al via andere procedures hebben verhaald.
De rechtbank baseert haar oordeel op de bewezenverklaring van verduistering en de overeenstemming tussen het vastgestelde voordeel en de reeds toegekende bedragen aan de benadeelden. De rechtbank wijst het meer of anders gevorderde af en legt de maatregel op grond van artikel 36e Wetboek van Strafrecht.
Het vonnis is gewezen door de meervoudige kamer en uitgesproken in aanwezigheid van de griffier op 10 maart 2020.