De rechtbank Oost-Brabant behandelde een zaak waarin verdachte werd beschuldigd van verkrachting van een vrouw met een verstandelijke beperking, die hij begeleidde bij een zorginstelling. De tenlastelegging betrof handelingen in de periode van 31 maart tot 1 april 2017, waaronder het dwingen tot seksuele handelingen met gebruik van geweld of bedreiging.
Het bewijs omvatte verklaringen van het slachtoffer, DNA-sporen op haar tandenborstel en pyjama, en getuigenverklaringen over haar gedragsveranderingen na het incident. De officier van justitie achtte het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. De verdediging voerde echter aan dat er onvoldoende bewijs was en presenteerde een alternatief scenario voor de DNA-sporen.
De rechtbank constateerde inconsistenties en twijfelpunten in de verklaringen van het slachtoffer, zoals het late melden van bepaalde handelingen en afwijkende verklaringen aan getuigen. Het scenario van verdachte, ondersteund door zijn echtgenote, werd niet volledig verworpen maar ook niet als aannemelijk genoeg beschouwd. De sporen op de pyjama konden niet aan verdachte worden toegeschreven.
Gezien de twijfel aan het waarheidsgehalte van de verklaringen en het ontbreken van overtuigend bewijs sprak de rechtbank verdachte vrij. De benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering en de proceskosten werden gecompenseerd zodat elke partij haar eigen kosten draagt.