Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
1.De procedure
- het tussenvonnis van 18 september 2019,
- het proces-verbaal van comparitie van 5 februari 2020.
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
2.148,00(2,0 punten × tarief € 1.074,00)
Rechtbank Oost-Brabant
Op 30 juni 2013 sloot [A] een geldleningsovereenkomst met [eiseres], waarbij een bedrag van €295.665,22 werd geleend. [gedaagde], als bestuurder en meerderheidsaandeelhouder van [A], stelde zich op 9 augustus 2013 in privé borg voor deze lening. Na het faillissement van [A] op 20 februari 2018, waarvoor de lening nog niet volledig was terugbetaald, vorderde [eiseres] betaling van het openstaande bedrag van [gedaagde].
[gedaagde] voerde verweer met een beroep op het ontbreken van toestemming van zijn echtgenote voor de borgstelling, zoals vereist volgens artikel 1:88 BW Pro. De rechtbank oordeelde dat hoewel de echtgenote geen toestemming had gegeven, de vordering van [eiseres] toewijsbaar is omdat zij te goeder trouw was, zoals bedoeld in artikel 1:89 lid 2 BW Pro. Dit betekent dat de rechtshandeling niet vernietigbaar is ondanks het ontbreken van toestemming.
De rechtbank overwoog dat [eiseres], gevestigd in Luxemburg, geen onderzoeksplicht had naar het toestemmingsvereiste onder Nederlands recht, mede vanwege het uitzonderlijke internationale karakter van de artikelen 1:88 en 1:89 BW. Het beroep van [gedaagde] op redelijkheid en billijkheid werd verworpen wegens gebrek aan concrete onderbouwing. [gedaagde] werd veroordeeld tot betaling van het openstaande bedrag, rente en proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de borgsteller tot betaling van het openstaande bedrag en rente, ondanks het ontbreken van toestemming van zijn echtgenote, omdat de wederpartij te goeder trouw was.