Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de meervoudige kamer van 16 april 2020 in de zaak tussen
[kind 1]en
[kind 2],
Rechtbank Oost-Brabant
Eiser, houder van de Nederlandse en Marokkaanse nationaliteit, vroeg voor zijn twee minderjarige kinderen Nederlandse paspoorten aan. De minister stelde de aanvraag buiten behandeling omdat niet met voldoende zekerheid kon worden vastgesteld dat de kinderen staande het huwelijk van eiser met de moeder waren geboren. De minister baseerde zich op verklaringen van het Bureau Documenten die de echtheid van de overgelegde Syrische huwelijks- en geboorteakten betwijfelden en sommige documenten als vals bestempelden.
Eiser voerde aan dat het biologisch vaderschap met DNA-onderzoek was bewezen en dat vanwege de oorlogssituatie in Syrië het ontbreken van officiële documenten niet aan hem kon worden toegerekend. De rechtbank oordeelde dat de minister terecht de bewijslast bij eiser legde om rechtsgeldige documenten te overleggen en dat de verklaringen van het Bureau Documenten zorgvuldig en concludent waren. De rechtbank verwierp het beroep omdat de documenten onvoldoende zekerheid boden over het juridisch vaderschap.
Verder wees de rechtbank het verzoek af om advies te vragen aan de minister van Justitie en Veiligheid over het Nederlanderschap van de kinderen, omdat de echtheid van de documenten in geschil was. De rechtbank bevestigde dat de minister geen belangenafweging kan maken om toch een paspoort te verstrekken als het Nederlanderschap niet met zekerheid kan worden vastgesteld. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt het besluit om de paspoortaanvraag buiten behandeling te stellen wegens onvoldoende zekerheid over het juridisch vaderschap.