Eiser vordert betaling van een bedrag van € 84.900,00 bestaande uit een aandeel in een commissie en twee geldleningen, inclusief rente en incassokosten. De commissie zou verband houden met werkzaamheden bij de verkoop van een bedrijf, terwijl de geldleningen door gedaagde zijn erkend.
Gedaagde betwist de vordering op de commissie wegens verjaring en stelt dat de geldleningen deels zijn terugbetaald of verrekend. De rechtbank oordeelt dat de vordering op de commissie verjaard is omdat deze al in 2007/2008 opeisbaar was en eiser pas in 2017 aanspraak maakte.
De vordering uit hoofde van de geldleningen is niet verjaard omdat de opeisbaarheid pas in 2018 is ingegaan. De rechtbank wijst de vordering toe tot een bedrag van € 52.356,00 na verrekening van betalingen en toekent contractuele rente en buitengerechtelijke incassokosten. Proceskosten worden gecompenseerd.