Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
1.De procedure
- het verzoekschrift van 22 mei 2020 met 9 producties
- de mondelinge behandeling via een skype verbinding op 2 juni 2020, waar verzoeker zelf en mr. N. Broeren zijn verschenen.
Rechtbank Oost-Brabant
Verzoeker vordert verlof tot het leggen van beslag op een onroerende zaak om een vordering van €35.000,- te verhalen. Deze vordering is gebaseerd op een ontbinding van een koopovereenkomst door belanghebbende wegens niet-nakoming door verzoeker, waarbij een boete van 10% van de koopsom aan belanghebbende is betaald.
Verzoeker stelt dat de boete gematigd moet worden op grond van artikel 6:94 lid 1 BW Pro. De voorzieningenrechter oordeelt echter dat niet summierlijk is gebleken dat verzoeker een deugdelijke vordering heeft. De vaststellingsovereenkomst waarin de boete is overeengekomen, is niet bestreden op nietigheid of vernietigbaarheid.
De stelling van verzoeker dat belanghebbende geen schade heeft geleden en dat de boete daarom gematigd moet worden, wordt gemotiveerd betwist door belanghebbende. Ook het vermeende doorverkopen van het onroerend goed voor ten minste hetzelfde bedrag is onvoldoende onderbouwd.
Gezien de onzekerheid over het bestaan van een vorderingsrecht weegt het belang van belanghebbende om gevrijwaard te blijven van beslag op de onroerende zaak zwaarder dan het belang van verzoeker. Daarom wordt het verlof tot beslaglegging geweigerd.
Uitkomst: Verlof tot het leggen van beslag wordt geweigerd wegens onvoldoende onderbouwing van de vordering.