ECLI:NL:RBOBR:2020:3177
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak schuldwitwassen in grootschalige beleggingsfraudezaak wegens onvoldoende bewijs
In deze zaak stond verdachte terecht als een van de vier verdachten in een grootschalige beleggingsfraudezaak waarbij investeerders werden misleid met valse beloften over rendement en terugbetaling. Verdachte was eigenaar van een bedrijf en ontving geldbedragen van aan een medeverdachte gelieerde rekeningen op haar zakelijke en privébankrekeningen.
De officier van justitie beschouwde schuldwitwassen van een bedrag van € 401.622,06 als wettig en overtuigend bewezen en eiste een taakstraf van 240 uur. De verdediging voerde aan dat verdachte niet wist en ook niet redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het geld uit misdrijf afkomstig was, en pleitte vrijspraak.
De rechtbank oordeelde dat het bewijs onvoldoende was om schuldwitwassen in de opzetvariant te bewijzen. Ook was onvoldoende aangetoond dat verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het geld uit misdrijf afkomstig was. Gezien de omstandigheden, waaronder de relatie met de medeverdachte die zich presenteerde als een succesvolle zakenman en de rolverdeling binnen het bedrijf, was geen sprake van aanmerkelijk onvoorzichtig handelen.
De rechtbank verklaarde de officier van justitie niet-ontvankelijk voor schuldwitwassen voor de periode vóór 29 juni 2008 wegens verjaring. Voor het overige werd verdachte vrijgesproken van het ten laste gelegde feit. Het vonnis werd gewezen door de meervoudige kamer van de rechtbank Oost-Brabant op 29 juni 2020.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van schuldwitwassen wegens onvoldoende bewijs en deels verjaring.