AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoek zorgmachtiging bij vrijwillige medicatieafbouw en goede begeleiding
De rechtbank Oost-Brabant behandelde op 30 juni 2020 het verzoek van de officier van justitie om een machtiging tot het verlenen van verplichte zorg aan betrokkene op grond van artikel 6:4 vanPro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg. Betrokkene is onder begeleiding bezig met de laatste fase van het afbouwen van antipsychotica, een proces dat deskundige monitoring vereist.
Tijdens de zitting werd duidelijk dat betrokkene sinds januari 2020 gestopt is met blowen, omdat hij inziet dat dit zijn psychische gesteldheid negatief beïnvloedt. Hij werkt voltijds en ervaart de begeleiding van de betrokken instellingen als prettig. Betrokkene heeft toegezegd zich vrijwillig te zullen laten begeleiden totdat de medicatie volledig is uitgewerkt.
De rechtbank constateert dat er momenteel geen sprake is van ernstig nadeel dat verplichte zorg rechtvaardigt, mede doordat betrokkene een goed netwerk heeft en de begeleiders regelmatig contact onderhouden. Mocht betrokkene toch terugvallen en begeleiding weigeren, dan kan het netwerk ingrijpen. Gezien deze omstandigheden wordt het verzoek om een zorgmachtiging afgewezen.
Uitkomst: Verzoek om zorgmachtiging wordt afgewezen omdat betrokkene vrijwillig meewerkt aan noodzakelijke zorg en voldoende wordt begeleid.
Uitspraak
beschikking
RECHTBANK OOST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer : C/01/359400 / FA RK 20-2646
Uitspraak : 30 juni 2020
Beschikking betreffende een machtiging tot het verlenen van verplichte zorg
van de rechtbank Oost-Brabant naar aanleiding van het door de officier van justitie ingediende verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 6:4 vanPro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz), ten aanzien van:
[betrokkene] ,
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats en adres] ,
hierna te noemen: betrokkene,
advocaat: mr. G.L.A.M. Doveren.
Het procesverloop
Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 11 juni 2020, heeft de officier van justitie verzocht om een machtiging tot het verlenen van verplichte zorg. Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
het eigen plan van aanpak van 20 april 2020;
de medische verklaring van 19 mei 2020;
het zorgplan, opgesteld op 22 mei 2020;
de zorgkaart van 5 juni 2020;
de bevindingen van de geneesheer-directeur van 9 juni 2020;
een uittreksel justitiële documentatie;
een informatierapport politiegegevens;
gegevens over eerder afgegeven machtigingen ingevolge van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 30 juni 2020. Bij die gelegenheid zijn, conform de Tijdelijke regeling F&J rechtbanken en de recent uitgevaardigde overheidsmaatregelen ter bescherming van verspreiding van het COVID-19 virus, via Skype gehoord:
betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat;
de begeleidster van [instelling] , [naam] ;
de begeleidster van [instelling 2] , [naam] ;
de moeder van betrokkene, [naam] .
Omdat een nadere toelichting op of motivering van het verzoek niet nodig is, is de officier van justitie niet ter zitting verschenen.
De beoordeling
Tijdens de mondelinge behandeling is door de medewerksters van [instelling] en [instelling 2] medegedeeld dat het met betrokkene goed gaat. Betrokkene vindt zelf ook dat het goed gaat. Sinds januari 2020 is betrokkene gestopt met blowen. Hij is er zelf van overtuigd dat het voor hem niet goed was om te blowen, omdat hij daardoor ‘in een andere realiteit belandde’. Daarom wil hij dat ook niet meer doen.
Betrokkene werkt voltijds in de groenvoorziening en hij vindt dit een fijne baan. Daarnaast vindt betrokkene de begeleiding die door [instelling 2] aan hem geboden wordt prettig. Sinds een half jaar is onder begeleiding van de [instelling 3] een traject ingezet om de medicatie van betrokkene af te bouwen. Betrokkene bevindt zich momenteel in de laatste fase. Over vier weken zal zijn medicatie volledig zijn afgebouwd. Daarna blijft de medicatie mogelijk nog zes tot acht weken in zijn bloed. [instelling] wil dit laatste stuk van de afbouw nog begeleiden en monitoren hoe het met betrokkene gaat als de medicatie is uitgewerkt. Betrokkene voelt weerstand tegen de bemoeienis van de [instelling 3] / [instelling] , maar hij heeft tijdens de mondelinge behandeling uitdrukkelijk toegezegd zich niet te zullen verzetten tegen toezicht in het vrijwillige kader door [instelling 3] / [instelling] totdat uit zijn bloedspiegel blijkt dat de medicatie zich niet meer in zijn lijf bevindt. Dit proces zal in totaal twee tot drie maanden in beslag nemen. Betrokkene ziet daarnaast graag dat [instelling 2] betrokken blijft. De medewerksters van [instelling 2] en [instelling] hebben hun vertrouwen hierin uitgesproken. [instelling 2] , [instelling] en de moeder hebben er vertrouwen in dat door het contact met [instelling 2] en het netwerk rondom betrokkene bij een onverhoopte terugval snel hulp zal worden ingeroepen.
De advocaat van betrokkene heeft afwijzing van het verzoek bepleit omdat het nu goed gaat met betrokkene, er geen sprake is van ernstig nadeel en geen noodzaak voor verplichte zorg vanwege het vangnet van [instelling 2] en het eigen netwerk van betrokkene.
De rechtbank concludeert dat het inmiddels beter gaat met betrokkene en dat hij vrijwillig meewerkt aan de zorg die nu nog noodzakelijk is. De rechtbank heeft er vertrouwen in dat betrokkene, zoals hij heeft beloofd, de laatste stappen van afbouw van zijn medicatie met hulp van [instelling 3] / [instelling] in het vrijwillige kader zal zetten. De rechtbank heeft ook de indruk dat betrokkene zelf inziet dat blowen een slechte invloed op zijn psychische gesteldheid heeft en dat hij daarom al sinds januari 2020 niet meer blowt.
Er is nog wel sprake van dreigend ernstig nadeel wanneer betrokkene zich zou onttrekken aan de begeleiding van [instelling 3] / [instelling] tijdens de afbouw van zijn antipsychotica. Afbouw van die medicatie vereist deskundige begeleiding en [instelling 3] / [instelling] moet monitoren hoe betrokkene reageert op die afbouw en zo nodig kunnen overgaan tot aanpassing.
Betrokkene heeft echter een goed netwerk en de begeleiders van [instelling 2] komen regelmatig bij betrokkene op bezoek. Mocht betrokkene toch een terugval krijgen en bemoeienis van de [instelling 3] / [instelling] weigeren, dan kunnen het netwerk en [instelling 2] zo nodig hulp inroepen.
Omdat de nu nog noodzakelijke zorg kan worden verleend in een vrijwillig kader, zal de rechtbank het verzoek om een zorgmachtiging afwijzen.
De beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. M. Lammers, rechter, in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2020 in aanwezigheid van de griffier en op schrift gesteld op 2 juli 2020.
Conc: MW-C
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.