Verzoeker, een transgender persoon die zijn geslacht heeft gewijzigd, verzocht de rechtbank om zijn voornaam te wijzigen van de huidige naam naar een andere uniseksnaam. Hij ervaart hinder en pesterijen op het werk vanwege de negatieve betekenis en onduidelijke uitspraak van zijn huidige voornaam, wat zijn depressie en angststoornis verergert.
De rechtbank heeft het verzoek behandeld via een telefonisch groepsgesprek vanwege COVID-19. De rechter overwoog dat voornaamswijziging slechts kan worden toegestaan bij een voldoende zwaarwichtig belang, waarbij een belangenafweging plaatsvindt tussen het persoonlijke belang en het algemeen belang bij naamconsistentie.
Hoewel verzoeker een sterke voorkeur heeft voor de nieuwe naam, is de rechtbank van oordeel dat het recente karakter van de pesterijen, de mogelijkheid om zonder wijziging een roepnaam te gebruiken, en het feit dat de nieuwe naam in Nederland vooral als meisjesnaam wordt gezien, niet leiden tot een voldoende zwaarwichtig belang.
De rechtbank concludeert dat het algemeen belang bij naamconsistentie zwaarder weegt dan het persoonlijke belang van verzoeker en wijst het verzoek af. Verzoeker kan echter in het dagelijks leven wel de gewenste roepnaam gebruiken zonder officiële wijziging.