ECLI:NL:RBOBR:2020:3786

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
31 juli 2020
Publicatiedatum
31 juli 2020
Zaaknummer
C/01/361178 / KG ZA 20-461
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 Verordening (EU) 2019/1111Art. 17 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing toestemming voor vliegreis kinderen naar Zwitserland wegens COVID-19 risico's

De man verzocht de rechtbank om toestemming om zijn drie minderjarige kinderen met het vliegtuig naar Zwitserland te laten reizen voor een verblijf van 31 juli tot 23 augustus 2020, begeleid door zijn broer. De vrouw, met wie hij gezamenlijk gezag heeft, maakte bezwaar vanwege de COVID-19 pandemie, waarbij zij stelde dat het reizen per vliegtuig onveilig is, vooral gezien de astmatische aandoeningen van twee kinderen die hen tot een risicogroep maken.

De rechtbank stelde vast dat het verblijf in Zwitserland op zich geen bezwaar vormde, maar dat het vliegvervoer risico's met zich meebrengt door het ontbreken van 1,5 meter afstand in het vliegtuig en de drukte op luchthavens. De kinderen zelf gaven aan het eng te vinden om te vliegen en liever in Nederland te blijven. De rechtbank achtte het belang van de kinderen leidend en concludeerde dat het vliegvervoer momenteel niet in hun belang is.

De rechtbank wees daarom het verzoek van de man af en bepaalde dat elke partij haar eigen proceskosten draagt. De uitspraak werd gedaan op 31 juli 2020 door de voorzieningenrechter E. Loesberg.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek om toestemming voor de vliegreis van de kinderen naar Zwitserland af vanwege gezondheidsrisico's door COVID-19.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
zaaknummer / rolnummer: C/01/361178 / KG ZA 20-461
Vonnis in kort geding van 31 juli 2020
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats] , [land] ,
eiser,
advocaat mr. F.R. Brouwer te Amsterdam,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde,
advocaat mr. H. Sanli te Helmond.
Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 30 juli 2020 met 6 producties;
  • het verweerschrift van de vrouw met een productie;
  • de mondelinge behandeling die op 31 juli 2020 plaatsvond via een Skypeverbinding. Tijdens de mondelinge behandeling zijn de drie minderjarige kinderen gehoord.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Tijdens het huwelijk zijn de volgende thans nog minderjarige kinderen geboren:
  • [naam kind 1] , geboren op [geboortedatum] 2008 te [plaats] ;
  • [naam kind 2] , geboren op [geboortedatum] 2009 te [plaats] ;
  • [naam kind 3] , geboren op [geboortedatum] 2014 te [plaats] .
2.2.
Partijen hebben gezamenlijk het gezag over de kinderen. De kinderen hebben het hoofdverblijf bij de vrouw. De man is woonachtig in [woonplaats] ( [land] ), maar beschikt tevens over een woning in [plaats] .

3.Het geschil

3.1.
De man vordert samengevat – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
 De man toestemming te verlenen om met [naam kind 3] , [naam kind 2] en [naam kind 1] van 31 juli 2020 tot en met 23 augustus 2020 naar [land] , meer in het bijzonder [woonplaats] te verblijven, waarbij de reis van de kinderen wordt begeleid door de broer van de man, zijnde de heer [naam broer] , op straffe van een dwangsom van € 10.000,- per dag voor elke dag dat zij niet voldoet aan het bevel om de kinderen af te geven tot een maximum van € 30.000,00 is bereikt;
 De man toestemming te verlenen om met [naam kind 3] , [naam kind 2] en [naam kind 1] van de eerst mogelijke datum waarop de vliegtickets omgeboekt kunnen worden tot en met 23 augustus 2020 naar [land] , meer in het bijzonder [woonplaats] te verblijven, waarbij de reis van de kinderen wordt begeleid door de broer van de man, zijnde de heer [naam broer] , op straffe van een dwangsom van € 10.000,- per dag voor elke dag dat zij niet voldoet aan het bevel om de kinderen af te geven tot een maximum van € 30.000,00 is bereikt;
 De vrouw te veroordelen de paspoorten van voornoemde kinderen aan de man, dan wel zijn broer, zijnde [naam broer] , af te geven op 31 juli 2020, dan wel een door uw Rechtbank in goede justitie vast te stellen datum op straffe van een dwangsom van € 10.000,- per dag voor elke dag dat zij niet voldoet aan het bevel om de kinderen af te geven tot een maximum van € 30.000,00 is bereikt;
 De vrouw te veroordelen in de kosten van het omboeken van de tickets;
 De vrouw te veroordelen in de daadwerkelijke proceskosten, althans de proceskosten en de nakosten.
3.2.
De vrouw voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Omdat de man in [woonplaats] ( [land] ) woont, rijst de vraag of de voorzieningenrechter rechtsmacht heeft en welk recht van toepassing is. Op grond van art. 7 van Pro de Verordening (EU) 2019/1111 heeft de voorzieningenrechter rechtsmacht. Op grond van art. 17 van Pro het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996, is Nederlands recht van toepassing.
4.2.
De man heeft een spoedeisend belang bij vervangende rechterlijke toestemming omdat hij wil dat zijn kinderen op 31 juli 2020 afreizen naar [woonplaats] om daar de laatste drie weken van hun zomervakantie te verblijven. De vliegtickets voor deze reis zijn reeds geboekt.
4.3.
Bij de beantwoording van de vraag of moet worden toegestaan dat de kinderen op 31 juli 2020, althans een latere datum, begeleid door hun oom met het vliegtuig afreizen naar [woonplaats] , neemt de voorzieningenrechter de belangen van de kinderen tot uitgangspunt.
4.4.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat het belangrijk voor de kinderen is dat zij gedurende hun vakantie omgang hebben met de man en hun halfbroer [naam halfbroer] die in [land] woonachtig zijn.
4.5.
De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat er voldoende redenen zijn aangevoerd waarom de reis naar [woonplaats] niet in het belang van de kinderen is. Hiertoe wordt het volgende overwogen.
4.6.
De man wil dat de kinderen, begeleid door hun oom, met het vliegtuig naar [woonplaats] reizen en daar drie weken verblijven. De vrouw heeft op zichzelf geen bezwaren geuit tegen het verblijf in [woonplaats] , maar heeft als verweer met name aangevoerd dat zij het gelet op de Covid-19 epidemie onveilig vindt dat de kinderen met het vliegtuig moeten reizen. In het vliegtuig kan geen 1,5 meter afstand worden bewaard en op de luchthavens passeren iedere dag grote aantallen mensen. [naam kind 1] heeft last van astma en [naam kind 2] heeft zware astma, waardoor zij tot een risicogroep behoren. Door de man is weliswaar gesteld dat de situatie in [land] wat betreft coronabesmettingen vergelijkbaar is met Nederland er in [land] nog strengere voorzorgsmaatregelen van kracht zijn dan in Nederland, maar dat neemt niet weg dat een reis per vliegtuig risico’s met zich mee brengt op grond waarvan de voorzieningenrechter een reis per vliegtuig naar en van [land] op dit moment niet in het belang van de kinderen acht. De voorzieningenrechter hecht er veel belang aan dat de kinderen zelf hebben verklaard dat zij het eng vinden om met het vliegtuig naar [woonplaats] te reizen en zij het liefst in Nederland blijven, als zij zelf mogen kiezen. Ter zitting is gebleken dat voor de man het geen alternatief is om met de kinderen met de auto naar en van [woonplaats] te reizen.
4.6.
De voorzieningenrechter wijst de verzochte toestemming af.
4.7.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
wijst de vordering af,
5.2.
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Loesberg en in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2020.