Deze zaak betreft de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap tussen partijen die internationaal getrouwd zijn geweest en inmiddels gescheiden. De rechtbank Oost-Brabant oordeelt dat zij internationaal bevoegd is op grond van Verordening (EU) nr. 2016/1103, aangezien de woning in Nederland is gelegen en de hypothecaire schuld daaraan verbonden is.
Eiseres vordert primair dat de woning aan haar wordt toegewezen tegen een waarde van €233.000,-, waarbij zij de volledige hypothecaire schuld zal dragen en gedaagde hiervoor zal vrijwaren. De rechtbank acht deze verdeling niet onrechtmatig en wijst deze toe. Daarnaast vordert eiseres een verklaring voor recht dat zij eigenaar is van de woning, maar deze vordering wordt afgewezen omdat levering van het onverdeelde aandeel noodzakelijk blijft.
De rechtbank beveelt gedaagde, die niet is verschenen en geen bekende verblijfplaats heeft, om binnen een maand na betekening van het vonnis zijn medewerking te verlenen aan de levering van zijn aandeel. Indien hij dit nalaat, treedt het vonnis in de plaats van een notariële akte voor zover nodig. De kosten van de procedure worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.