ECLI:NL:RBOBR:2020:4515

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
17 september 2020
Publicatiedatum
18 september 2020
Zaaknummer
362328 BP RK 20-506
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:264 BW
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlof verleend voor inroepen huurbeding en ontruiming onbekende huurders

De coöperatieve Rabobank verzocht om verlof om het huurbeding in te roepen en de ontruiming van het pand aan een adres in [plaats]. De hypotheekgever stelde dat hij de enige bewoner was en dat er geen huurders waren, en betoogde dat de bank onvoldoende onderzoek had gedaan naar de feitelijke situatie.

De voorzieningenrechter overwoog dat de hypotheekhouder verplicht is het huurbeding in te roepen voorafgaand aan de veiling, tenzij gegronde redenen bestaan om daarvan af te zien. Uit het taxatierapport bleek dat de hypotheekgever niet had meegewerkt aan de taxatie en de woning niet van binnen was geïnspecteerd, waardoor de bank niet kon uitsluiten dat er onbekende huurders waren.

De bank hoefde geen nader onderzoek te verrichten en mocht het huurbeding op goede gronden inroepen. De bank had huurders ook correct geïnformeerd over de openbare verkoop en het inroepen van het huurbeding. Daarom werd het verzoek toegewezen, met een ontruimingstermijn van veertien dagen na betekening van de beschikking.

Uitkomst: Verlof verleend voor inroepen huurbeding en huurders veroordeeld tot ontruiming binnen veertien dagen.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
zaaknummer / rekestnummer: C/01/362328 / BP RK 20-506
Beschikking van de voorzieningenrechter van 17 september 2020
in de zaak van
de coöperatie
COÖPERATIEVE RABOBANK U.A.,
gevestigd te Amsterdam,
verzoekster,
procesadvocaat mr. Ph.C.M. van der Ven te ’s-Hertogenbosch,
advocaat mr. D.S. van Lith te Utrecht,
tegen
[hypotheekgever 1],
wonende te [woonplaats 1] ,
hypotheekgever,
advocaat mr. S. Yadegari te Zaandam,
en
DE ONBEKENDE HUURDERS WONENDE AAN DE [adres],
wonende te [woonplaats 2] ,
huurders,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna de bank, [hypotheekgever 2] en huurders worden genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het verzoekschrift van 1 september 2020 met 7 producties
  • de mondelinge behandeling via een skype verbinding op 10 september 2020, waar namens de bank is verschenen mr. J. Weijer. Namens [hypotheekgever 2] is verschenen mr. S. Yadegari. Huurders zijn, hoewel deugdelijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.
1.2.
Tenslotte is beschikking bepaald op heden.

2.De beoordeling

2.1.
Het verzoekschrift strekt tot het verkrijgen van verlof om een beroep te doen op het huurbeding als bedoeld in art. 3:264 leden Pro 5 en 6 BW, alsmede tot ontruiming door de huurders van het pand plaatselijk bekend [adres] , kadastraal bekend gemeente [plaats] , sectie [sectienummer] (hierna: de woning), binnen twee weken, dan wel een door de voorzieningenrechter aan te geven termijn, na betekening van de beschikking.
2.2.
[hypotheekgever 2] heeft ter zitting het verweer gevoerd dat hij de enige bewoner is van de woning en dat zich geen huurders in de woning bevinden. Het had op de weg van de bank gelegen om nader onderzoek te doen naar de feitelijke situatie, onder meer door het raadplegen van het BPR en/of navraag te doen bij buren. Nu de bank niet aan haar onderzoekverplichting heeft voldaan en vaststaat dat zich geen huurders in de woning bevinden, dient het verzoek te worden afgewezen.
2.3.
De voorzieningenrechter overweegt dat de hypotheekhouder op grond van het bepaalde in artikel 3:264 lid 1 BW Pro verplicht is het huurbeding in te roepen voorafgaand aan de veiling en dat hij slechts om drie redenen daarvan kan afzien, te weten indien er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat:
de instandhouding van de huurovereenkomst in het belang is van de opbrengst bij de openbare verkoop; of
ook met instandhouding van de huurovereenkomst kennelijk een voldoende opbrengst zal worden verkregen om alle hypotheekhouders die het beding hebben gemaakt en het jegens de huurder kunnen inroepen te voldoen; of
er geen personen krachtens huurovereenkomst gebruik kunnen maken van het bezwaarde goed op het moment van bekendmaking van de executoriale verkoop.
2.4.
In de Memorie van Toelichting op de gewijzigde wettekst (TK, 2012-2013, 33 484, nr. 3) is ten aanzien van de uitzondering onder c het volgende weergegeven:

Een derde uitzondering (onderdeel c) betreft de situatie dat er geen sprake is van verhuur of onderhuur en dat dit in voldoende mate vast staat. Dit zal bijvoorbeeld het geval zijn als de hypotheekhouder bekend is met de feitelijke situatie ter plaatse en zich ervan vergewist heeft dat er geen andere personen dan de eigenaar en zijn huisgenoten wonen. De hypotheekhouder zou hiertoe navraag kunnen doen bij de eigenaar of enkele buurtbewoners. De in onderdeel b opgenomen uitzondering dient slechts ter voorkoming van het onnodig inroepen van het huurbeding. Twijfelt de hypotheekhouder over de situatie ter plaatse dan geldt het uitgangspunt van het inroepen van het huurbeding.
2.5.
Anders dan [hypotheekgever 2] stelt, kan hieruit niet worden afgeleid dat op de bank de verplichting rust om onderzoek te doen naar de feitelijke situatie ter plaatse. De bank stelt in het verzoek dat niet kan worden uitgesloten dat de onroerende zaak (onder)verhuurd is of in gebruik is gegeven aan en/of andere onbekende (onder)huurders, zodat zij zekerheidshalve het huurbeding wenst in te roepen. Uit het door de bank overgelegde taxatierapport d.d. 22 juli 2020 (onderdeel K) is gebleken dat de eigenaar/hypotheekgever niet heeft meegewerkt aan de taxatie en dat de taxateur niet in staat is gesteld de woning van binnen te inspecteren. Nu [hypotheekgever 2] niet heeft meegewerkt aan de taxatie en de taxateur niet in de gelegenheid heeft gesteld de woning van binnen te inspecteren, kon de bank niet uitsluiten dat er (onbekende) huurders zijn die zich op huurrechten zouden kunnen beroepen. De bank behoefde daarnaar geen nader onderzoek te verrichten. Vanwege de twijfel over de situatie ter plekke heeft de bank naar het oordeel van de voorzieningenrechter het huurbeding op goede gronden ingeroepen.
2.6.
De bank heeft bij deurwaardersexploot van 19 augustus 2020 aan huurders aangezegd dat tot openbare verkoop zal worden overgegaan op 17 november 2020 alsmede dat het huurbeding jegens huurders zal worden ingeroepen. Ook aan de overige wettelijke vereisten voor toewijzing van het verzoek is voldaan. Gelet op het voorgaande zal het verzoek worden toegewezen, waarbij aan huurders na te melden ontruimingstermijn zal worden gegund.

3.De beslissing

De voorzieningenrechter
3.1.
verleent verlof aan de bank om het huurbeding in te roepen tegen huurders,
3.2.
veroordeelt huurders om het pand plaatselijk bekend [adres] , kadastraal bekend gemeente [plaats] , sectie [sectienummer] , te ontruimen met al de hunnen en al het hunne en om dat pand met afgifte van de sleutels aan de bank ter vrije beschikking te stellen,
3.3.
bepaalt dat gedurende een termijn van veertien dagen na de betekening van de beschikking aan huurders niet ontruimd mag worden,
3.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. E. Loesberg en in het openbaar uitgesproken op 17 september 2020.