ECLI:NL:RBOBR:2020:4963
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling referteperiode bij vaststelling WW-dagloon ondanks nabetalingen
Eiseres was werkzaam bij twee werkgevers in de periode voorafgaand aan haar werkloosheid en ontving een WW-uitkering vanaf 1 augustus 2019. De kern van het geschil betrof de duur van de referteperiode voor de berekening van het dagloon: verweerder hanteerde acht maanden, terwijl eiseres stelde dat zeven maanden correct was vanwege nabetalingen die betrekking hadden op eerder gewerkte uren en vakantiegeld.
De rechtbank stelde vast dat de wettelijke bepalingen, met name artikel 1b van de WW en het Dagloonbesluit, voorschrijven dat het dagloon wordt berekend op basis van het loon zoals opgegeven door de werkgever in de Polisadministratie, toegerekend aan het aangiftetijdvak waarin het loon is opgegeven. Dit kan leiden tot een ongunstige uitkomst wanneer nabetalingen in een latere maand worden gedaan.
De rechtbank benadrukte dat het Dagloonbesluit geen ruimte biedt voor een hardheidsclausule of afwijking bij onevenredige effecten van de berekeningswijze. Het beginsel is dat het dagloon een redelijke afspiegeling moet zijn van de welvaart in de referteperiode, gebaseerd op daadwerkelijk genoten inkomsten. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het dagloon wordt vastgesteld op basis van de loonopgave van de werkgever volgens de wettelijke systematiek.