ECLI:NL:RBOBR:2020:5174
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid en toepasselijk recht bij echtscheidingsverzoek zonder rechtskeuze voor buitenlands recht
De vrouw heeft bij de rechtbank Oost-Brabant een verzoek tot echtscheiding ingediend, waarbij zij stelt dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De man betwist de rechtsmacht van de Nederlandse rechter en stelt dat het recht van het buitenland (land X) moet worden toegepast, verwijzend naar een procedure die in dat land is gestart.
De rechtbank overweegt dat beide partijen hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben en dat de Nederlandse rechter daarom bevoegd is op grond van artikel 3 Brussel Pro II bis. Het gelijktijdig opstarten van procedures in Nederland en land X staat niet in de weg aan de Nederlandse procedure, zeker nu de man geen beroep doet op artikel 12 Rv Pro om de Nederlandse procedure aan te houden.
Ten aanzien van het toepasselijke recht stelt de rechtbank dat op grond van artikel 10:56 BW Pro het recht van land X slechts kan worden toegepast indien partijen gezamenlijk een rechtskeuze hebben gemaakt. Dit is niet het geval. De man heeft slechts gesteld dat de vrouw een rechtskeuze zou hebben gemaakt, maar zelf geen rechtskeuze gedaan. De procedure in land X is bovendien door de schoonouders van de vrouw gestart en betreft een voorprocedure, niet een feitelijk verzoek tot echtscheiding.
De rechtbank concludeert dat Nederlands recht van toepassing is en verklaart zich bevoegd om van het verzoek tot echtscheiding kennis te nemen. De verdere behandeling van het verzoek wordt aangehouden voor een mondelinge behandeling van de overige verzoeken.
Uitkomst: De rechtbank verklaart zich bevoegd en bepaalt dat Nederlands recht van toepassing is op het verzoek tot echtscheiding.