Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
Procesverloop
Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Nadat verweerder aanvankelijk het handhavingsverzoek had afgewezen, zijn bij het bestreden besluit lasten onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van de voorschriften 1.3 en 1.5 van de omgevingsvergunning.
a. de beschikking zou steunen op gegevens over feiten en belangen die de belanghebbende betreffen, en
b. die gegevens niet door de belanghebbende zelf ter zake zijn verstrekt.
(…).
3. Het bestuursorgaan kan de beslissing voor ten hoogste zes weken verdagen.
4. Verder uitstel is mogelijk voor zover:
(…)
c. dit nodig is in verband met de naleving van wettelijke procedurevoorschriften.
(…).
Als het bestuursorgaan de herhaalde aanvraag of het verzoek terug te komen van een besluit op inhoudelijke gronden afwijst, dan toetst de bestuursrechter het besluit op die aanvraag of dat verzoek aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden als ware dit het eerste besluit over die aanvraag of dat verzoek. Anders dan voorheen beoordeelt de bestuursrechter dus niet meer ambtshalve of wat een rechtzoekende aan zijn aanvraag of verzoek ten grondslag heeft gelegd nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. De voorzieningenrechter wijst hierbij op de uitspraak van de Afdeling van 23 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3131.
Overtreding?12. Eiser heeft aangevoerd dat het camperterrein van meet af aan is ingericht met 16 camperplaatsen op het middenterrein en met 9 camperplaatsen aan de noordzijde van het terrein. Volgens eiser is het gehele terrein ingericht overeenkomstig de tekening die als bijlage bij de vergunning is gevoegd. Deze is niet op schaal en gebaseerd op de feitelijke situatie in 2015.
20 april 2019, afkomstig uit de gemeentelijke databank, en 5 maart 2020, afkomstig van internet, aannemelijk is geworden dat ook voorschrift 1.3 is overtreden, zodat verweerder ook wegens overtreding van dit voorschrift bevoegd was tot handhavend optreden. Dit betoog faalt.
17. De voorzieningenrechter stelt vast dat in het bestreden besluit is gesteld dat er geen bijzondere omstandigheden bekend zijn op basis waarvan niet tot handhaving zou moeten worden overgegaan. Ter zitting heeft verweerder onweersproken gesteld dat er geen aanvraag tot legalisatie was ingediend ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, zodat er geen sprake was van concreet zicht op legalisatie. Er bestaat geen algemene plicht voor een college om in een geval als dit stil te staan bij de vraag of de overtreding mogelijk kan worden gelegaliseerd. Dat verweerder in een (afzonderlijke) brief heeft aangegeven bereid te zijn te onderzoeken of kan worden medegewerkt aan legalisatie maakt niet dat verweerder niet kon overgaan tot het opleggen van een last onder dwangsom. Dit betoog slaagt niet.
29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694) is voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. Verder is vereist dat de toezegging, andere uitlating of gedraging aan het bevoegde bestuursorgaan kan worden toegerekend. Dat sprake is van gerechtvaardigde verwachtingen betekent niet dat daaraan altijd moet worden voldaan. Zwaarder wegende belangen, zoals het algemeen belang of de belangen van derden, kunnen daaraan in de weg staan.
Hoewel uit de stukken en het verhandelde ter zitting het beeld naar voren komt dat het verweerder pas in deze procedure inzichtelijk is geworden dat het noordelijk deel van het terrein op grond van de in 2015 verleende omgevingsvergunning niet mag worden gebruikt als camperplaats, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet komen vast te staan dat tijdens de controle die ten grondslag heeft gelegen aan de afwijzing van het handhavingsverzoek in 2017 of tijdens controles daarvoor de noordelijke strook feitelijk in gebruik was als camperplaats. De afwijzing van het handhavingsverzoek in 2017 en de in dat verband gedane uitlatingen jegens eiser kunnen daarom niet als een toezegging om niet handhavend op te treden tegen het gebruik van de noordelijke strook voor camperplaatsen worden gekwalificeerd. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt en van rechtsverwerking is geen sprake.
25 camperplaatsen niet overschreden.
Verder voldoet het bestreden besluit volgens hem niet aan de te stellen eisen aan het opleggen van een herstelsanctie ter voorkoming van herhaling. Daartoe dient voldoende gesteld en onderbouwd te zijn dat er eerdere overtredingen hebben plaatsgevonden en dient het tijdsverloop bij de besluitvorming te worden meegenomen. De enige daadwerkelijke keer dat verweerder zelf een overtreding heeft vastgesteld dateert van 21 juli 2016. Verder is er slechts sprake van niet verifieerbare informatie van enkele verzoekers om handhaving.
Verder heeft verweerder, onder verwijzing naar de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 9 maart 2016, ECLI:NL:CBB:2016:55, gesteld dat een last onder dwangsom ter voorkoming van herhaling is opgelegd, omdat tijdens de hoorzitting is gebleken dat er sprake is van continuïteit in de overtredingen. De aard van de overtreding en de mate van overeenkomst zijn hetzelfde en verder staat vast dat in de periode tussen het verlenen van de vergunning en het opleggen van de last eiser in elk geval vier keer heeft gehandeld in strijd met de vergunningvoorschriften. Gelet hierop is sprake van herhaling van dezelfde overtredingen en van een mogelijke herhaling, aldus verweerder.
“Gelet op het feit dat u minstens vier keer dezelfde voorschriften uit de vergunning heeft overtreden, leggen wij u een last onder dwangsom op ter voorkoming van herhaling. Deze bevoegdheid ontlenen wij aan artikel 125 Gemeentewet Pro, artikel 5:32 e.v. in samenhang met artikel 5:2 lid 1 onder Pro b van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Meer specifiek betekent dit het volgende.
24. De voorzieningenrechter stelt aan de hand van het controlerapport van de toezichthouder van 21 augustus 2020 met de daarbij gevoegde foto’s vast dat ten tijde van de inwerkingtreding van de last onder dwangsom, welk besluit op 13 augustus 2020 is genomen maar pas op 24 augustus 2020 is verzonden, geen sprake was van een overtreding van voorschrift 1.3, maar wel van een overtreding van voorschrift 1.5 van de omgevingsvergunning. De voorzieningenrechter kan verweerder daarom niet volgen in zijn standpunt dat de last met betrekking tot dit voorschrift enkel is opgelegd ter voorkoming van herhaling van de overtreding, nu eiser de overtreding ten tijde van het bestreden besluit nog diende te beëindigen om aan de gestelde last te kunnen voldoen. De last strekte daarom, wat voorschrift 1.5 betreft, niet alleen tot het voorkomen van herhaling, maar ook tot het ongedaan maken van de overtreding als bedoeld in artikel 5:32a, tweede lid, van de Awb, zodat verweerder een begunstigingstermijn had dienen te stellen. Dit temeer, nu de last midden in het toeristenseizoen is opgelegd en op dat moment 10 à 12 campers op een niet vergunde locatie stonden en deze niet binnen de camperplaats konden worden verplaatst zonder overtreding van de vergunningvoorschriften en een onmiddellijke verwijdering en verplaatsing naar elders midden in het toeristenseizoen, zo neemt de voorzieningenrechter aan, een lastige opgave is.
Daarbij merkt de voorzieningenrechter ten overvloede over de volgens eiser niet verrichte maar wel verplichte belangenafweging in dit kader nog op dat volgens vaste rechtspraak, waaronder de uitspraak van de Afdeling van 23 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3126, en van 24 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:210, geldt dat bij de begunstigingstermijn als uitgangspunt geldt dat deze niet wezenlijk langer mag worden gesteld dan noodzakelijk is om de overtreding te kunnen opheffen en dat daarbij niet van belang is of de overtreder dat op een vanuit bedrijfseconomisch opzicht zo gunstig mogelijke wijze kan doen.
25. Ten aanzien van voorschrift 1.3 heeft verweerder geen begunstigingstermijn behoeven te stellen, nu betrekkelijk eenvoudig aan de last kon worden voldaan door het enkel nalaten. Voorts overweegt de voorzieningenrechter dat nu dit voorschrift naar het oordeel van de voorzieningenrechter verifieerbaar meerdere malen is overtreden en de laatste geconstateerde overtreding van maart 2020 dateert, verweerder in redelijkheid een last onder dwangsom ter voorkoming van herhaling heeft kunnen opleggen.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van in totaal € 356,00 aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.050,00.
13 november 2020.