ECLI:NL:RBOBR:2020:5720

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
18 november 2020
Publicatiedatum
18 november 2020
Zaaknummer
01/095187-19
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs openlijk geweld en mishandeling in horecasituatie

Op 20 december 2018 ontstond tijdens een kerstborrel bij restaurant Quatre Bras in Best een conflict tussen verdachte, een medeverdachte en het slachtoffer. De tenlastelegging betrof openlijk geweld en subsidiair mishandeling tegen het slachtoffer. De verklaringen van het slachtoffer, getuigen en verdachten verschilden aanzienlijk over de toedracht en betrokkenheid van verdachte.

De aangever verklaarde te zijn geslagen vanuit een dode hoek, vermoedelijk eerst door de medeverdachte en daarna door verdachte. De medeverdachte stelde dat verdachte als eerste sloeg, terwijl getuigen onduidelijkheid gaven over wie precies sloeg en dat het slachtoffer ook agressief was. De werkgever van verdachte en slachtoffer gaf aan dat uit intern onderzoek bleek dat verdachte niet had geslagen, maar details ontbraken.

Verdachte verklaarde geen herinnering te hebben vanwege overmatig alcoholgebruik en bood excuses aan voor wat hij van horen zeggen had vernomen. De rechtbank oordeelde dat het onderzoek tekort was geschoten en dat door de tegenstrijdigheden en het tijdsverloop niet vast te stellen viel wat precies was gebeurd. Het enkele feit dat verdachte excuses stuurde was onvoldoende om het gebrek aan bewijs te compenseren.

Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van zowel het primair ten laste gelegde feit van openlijk geweld als het subsidiaire feit van mishandeling. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer op 18 november 2020.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs van openlijk geweld en mishandeling.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.095187.19
Datum uitspraak: 18 november 2020
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren [geboortejaar] 1993,
wonende te [adres 1] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 4 november 2020.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 28 september 2020
Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 04 november 2020 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:
T.a.v. feit 1 primair:
hij op of omstreeks 20 december 2018 te Best
openlijk, te weten, op/aan de [adres 2] en/of in/bij de Quatre Bras, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats en/of ten aanschouwe van en/of zichtbaar voor publiek,
in vereniging
geweld heeft gepleegd tegen een persoon te weten [slachtoffer]
door die [slachtoffer] één of meerdere malen in het gezicht en/of op het hoofd en/of tegen het lichaam te stompen en/of te slaan;
T.a.v. feit 1 subsidiair:
hij op of omstreeks 20 december 2018 te Best
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen
[slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] één of meerdere malen in het gezicht en/of op het hoofd en/of tegen het lichaam te stompen en/of te slaan;

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.
De officier van justitie heeft de oplegging gevorderd van een taakstraf voor de duur van 120 uur te vervangen door 60 dagen hechtenis.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft verzocht dat de verdachte van het primair en subsidiair ten laste gelegde vrij te spreken.

Vrijspraak.

De rechtbank acht, met de raadsman, niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging, dan wel mishandeling, zodat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.
De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Op grond van het dossier en de behandeling ter zitting is gebleken dat verdachte samen met [medeverdachte] en een groep collega’s van het bedrijf waar zij toentertijd werkten op 20 december 2018 een kerstborrel hadden bij restaurant Quatre Bras te Best. Tijdens die avond is er op het terras van Quatre Bras onenigheid ontstaan tussen enerzijds verdachte en medeverdachte en anderzijds aangever [slachtoffer] .
Over wat er daarna is voorgevallen lopen de verklaringen van de aangever, de getuigen en de verdachten uiteen. Zo heeft de aangever verklaard dat hij is geslagen vanuit een dode hoek en dat hij vermoed dat [medeverdachte] hem als eerste sloeg en verdachte daarna.
[medeverdachte] heeft verklaard dat hij zag dat verdachte als eerste sloeg. Dat deed hij met zijn vuist en raakte aangever in het gezicht. [medeverdachte] weet niet meer waar in het gezicht.
[getuige 1] heeft verklaard dat [slachtoffer] over [medeverdachte] gebogen stond en hem een duw gaf, waarna de vechtpartij ontstond. Hij kon niet goed zien wie wie sloeg, maar benoemt wel dat [slachtoffer] naar verdachte uithaalde. [getuige 1] heeft verklaard dat hij ertussen gesprongen is en dat aangever toen ook naar hem uithaalde.
[getuige 2] , assistent manager van Quatre Bras, heeft niet meer duidelijkheid over die avond kunnen verschaffen. Hij heeft verklaard dat hij rumoer hoorde op het terras en dat hij toen naar buiten is gelopen. Toen hij buiten kwam zag hij dat [slachtoffer] al onder het bloed zat en zijn kaak vasthield en dat er niet meer fysiek gevochten werd.
De toenmalige werkgever van verdachte en [slachtoffer] heeft verklaard dat uit intern onderzoek is gebleken dat verdachte er wel bij stond, maar dat hij niet geslagen heeft. Het is de rechtbank niet duidelijk geworden waar dat onderzoek uit bestond of wat de precieze uitkomst daarvan was.
De politie heeft nog getracht meerdere getuigen te benaderen, maar deze waren onvindbaar of wilden niet verklaren.
Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij geen enkele herinnering meer heeft aan die avond doordat hij 30 glazen whisky had gedronken. Hij heeft zijn excuses aangeboden omdat hij “van horen zeggen had” dat hij aangever zou hebben geslagen.
De rechtbank is van oordeel dat het onderzoek tekort is geschoten. Dit is, met name vanwege het tijdsverloop, niet meer te herstellen. Er bestaan nu zoveel tegenstrijdigheden in het dossier dat op grond van de wettige bewijsmiddelen niet meer is vast te stellen wat zich precies heeft voorgedaan. Het enkele gegeven dat verdachte aangever de volgende ochtend een bericht heeft gestuurd waarin hij zijn excuses heeft aangeboden, acht de rechtbank van onvoldoende gewicht om het gebrek aan wettig en overtuigend bewijs teniet te doen.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verdachte zowel voor het primair, als het subsidiair ten laste gelegde zal worden vrijgesproken.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:
acht het primair en subsidiair ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend bewezen en
spreektverdachte daarvan
vrij.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. C.M Zandbergen, voorzitter,
mr. W.A.H.A. Schnitzler-Strijbos en mr. C.A. Mandemakers, leden,
in tegenwoordigheid van mr. A.E. van Langen - Wouda, griffier,
en is uitgesproken op 18 november 2020.