De rechtbank Oost-Brabant behandelde het verzoek van het CIZ tot verlening van een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf van betrokkene, die lijdt aan de ziekte van Alzheimer. Hoewel bij indiening geen medische verklaring was overgelegd, werd deze later alsnog toegezonden, waardoor de rechtbank de vormfout herstelde.
Tijdens de mondelinge behandeling op het woonadres van betrokkene werden meerdere familieleden en een verpleegkundige gehoord. De advocaat van betrokkene betwistte het ernstig nadeel en stelde dat een kortere machtiging van drie maanden passend zou zijn. Betrokkene zelf wilde in haar woning blijven, maar de verpleegkundige en familieleden gaven aan dat de zorg thuis niet meer toereikend is.
De rechtbank stelde vast dat de psychogeriatrische aandoening leidt tot ernstig nadeel, waaronder valincidenten met hulpeloze situaties, angsten, hallucinaties en eerdere diefstal. Er zijn geen minder ingrijpende alternatieven mogelijk en betrokkene heeft 24-uurszorg nodig. Daarom werd de machtiging voor zes maanden verleend, met het oog op het progressieve verloop van de ziekte.