Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de meervoudige kamer van 18 december 2020 in de zaak tussen
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam] , te [vestigingsplaats] .
Procesverloop
Overwegingen
- Ten behoeve van de inrichting aan [adres] te [vestigingsplaats] is op 2 juli 2003 een vergunning op basis van de Wet milieubeheer verleend voor 200 geiten, 200 kippen, 30 konijnen en 30 paarden en rundvee. Deze vergunning is gedeeltelijk ingetrokken bij besluit van 13 maart 2012, voor wat betreft het houden van 30 schapen en 5 stuks rundvee.
- Op 2 oktober 2018 heeft een controle plaatsgevonden en zijn er 3 paarden, 1 pony,
- Sinds 1 januari 2013 is het Activiteitenbesluit op het agrarische bedrijf van toepassing en is de omgevingsvergunning van rechtswege vervallen. De op dat moment geldende omgevingsvergunning van 13 maart 2012 is gelijkgesteld met een omgevingsvergunning beperkte milieutoets (verder: OBM), als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Voor het houden van meer dan 51 geiten is een OBM vereist ingevolge artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wabo, in samenhang met artikel 2.2a, eerste lid, onder d, van het Besluit omgevingsrecht.
- Op 26 oktober 2018 heeft eiseres een verzoek om intrekking van de OBM ingediend omdat er volgens de jaaropgaves bij RVO geen dieren meer worden gehouden.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit en het nadere besluit voor zover deze besluiten betrekking hebben op de inrichting aan [adres] te [vestigingsplaats] ;
- draagt verweerder op binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van