ECLI:NL:RBOBR:2020:6455
Rechtbank Oost-Brabant
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek aanhouding faillissementsverzoek op grond van Tijdelijke wet COVID-19
Verzoekster heeft een faillissementsverzoek ingediend tegen verweerder. Verweerder vroeg op grond van de Tijdelijke wet COVID-19 SZW en JenV om aanhouding van het faillissementsverzoek omdat zijn horecabedrijf sinds maart 2020 gesloten is en hij bezig is met herfinanciering van zijn pand. Verweerder erkende dat zijn schulden verband houden met een eerder beëindigd schildersbedrijf en al vóór de COVID-19 uitbraak bestonden.
Verzoekster stelde dat de vordering betrekking heeft op pensioenpremies uit 2018 die niet zijn betaald en dat de schulden niet door COVID-19 zijn veroorzaakt. De rechtbank overwoog dat de Tijdelijke wet alleen geldt voor ondernemingen die door COVID-19 in liquiditeitsproblemen zijn gekomen en niet voor schulden die al bestonden. Verweerder kon niet aannemelijk maken dat hij vóór de uitbraak voldoende liquide middelen had en dat zijn schulden door COVID-19 zijn ontstaan.
De rechtbank concludeerde dat verweerder niet in de toestand verkeert zoals bedoeld in de Tijdelijke wet en wees het verzoek tot aanhouding af. Wel werd de behandeling van het faillissementsverzoek twee weken aangehouden om partijen gelegenheid te geven een betalingsregeling te treffen.
Uitkomst: Verzoek tot aanhouding van het faillissementsverzoek op grond van de Tijdelijke wet COVID-19 wordt afgewezen; behandeling faillissementsverzoek wordt twee weken aangehouden.