ECLI:NL:RBOBR:2020:6962

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
6 maart 2020
Publicatiedatum
19 oktober 2021
Zaaknummer
WR 20/006
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Wraking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 RvArt. 39 lid 5 Rv
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid wrakingsverzoek na einduitspraak mentorbenoeming

In deze zaak heeft verzoekster een wrakingsverzoek ingediend tegen de kantonrechter die een einduitspraak heeft gedaan in een zaak over mentorbenoeming. De rechtbank had bij beschikking van 18 februari 2020 de Stichting Mentorschap Midden- en Noordoost Brabant ontslagen als mentor en de Stichting Reeling Mentorschap benoemd als mentor, terwijl het verzoek om verzoekster als mentor te benoemen werd afgewezen.

Verzoekster stelde dat de kantonrechter gewraakt moest worden wegens vermeende partijdigheid. De wrakingskamer oordeelde echter dat op grond van artikel 36 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wraking niet meer mogelijk is nadat een rechter een einduitspraak heeft gedaan, omdat de behandeling van de zaak daarmee is geëindigd.

Daarom werd het wrakingsverzoek niet inhoudelijk behandeld en verklaarde de wrakingskamer verzoekster niet-ontvankelijk. Er was geen reden om het wrakingsverzoek op een zitting te behandelen. Tegen deze beslissing staat geen voorziening open.

Uitkomst: Wrakingsverzoek niet-ontvankelijk verklaard omdat wraking na einduitspraak niet mogelijk is.

Uitspraak

beslissing
RECHTBANKOOST-BRABANT
Wrakingskamer
Zaaknummer: WR 20/006
Beslissing van 6 maart 2020
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoekster], wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoekster,
strekkende tot de wraking van
mr. Y.S. Klerk,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de kantonrechter.

1.Procesverloop

[naam] (hierna: [naam] ) staat onder bewind en hij heeft een mentor.
De Stichting Mentorschap Midden- en Noordoost Brabant (hierna: de Stichting) heeft de rechtbank op 12 december 2019 verzocht haar te ontslaan als mentor en de Stichting Reeling Mentorschap (hierna: Reeling) te benoemen als mentor.
[naam] heeft de rechtbank op 19 december 2019 verzocht om verzoekster en [naam] tot mentor te benoemen.
Bij beschikking van 18 februari 2020 (met zaaknummer 8221341 TD VERZ 19-2452) heeft de kantonrechter de Stichting met ingang van 1 maart 2020 ontslagen als mentor, Reeling met ingang van 1 maart 2020 benoemd als mentor en het verzoek om verzoekster en [naam] als mentor te benoemen afgewezen.
Bij brief van 21 februari 2020 heeft verzoekster de kantonrechter gewraakt.
Op grond van de hiernavolgende overwegingen is afgezien van een behandeling van het wrakingsverzoek ter zitting.

2.De beoordeling

2.1
Op grond van artikel 36 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan een rechter worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Het middel van wraking is toegekend aan een partij die wenst te voorkomen dat een rechter, bij wie uit zijn gedrag of overtuiging vooringenomenheid blijkt tegenover een partij – althans aan een partij die daarover de objectief gerechtvaardigde vrees heeft – (nog langer) bemoeienis met de zaak zal hebben. Dat doel kan niet meer worden bereikt als de rechter een einduitspraak heeft gedaan, omdat de behandeling van de zaak daarmee is geëindigd. De wet voorziet niet in de mogelijkheid om, wanneer de behandeling van de zaak is geëindigd door het wijzen van een einduitspraak, wraking te verzoeken van de rechter die deze einduitspraak heeft gedaan.
2.2
De kantonrechter heeft bij beschikking van 18 februari 2020 beslist op de onder ‘Procesverloop’ genoemde verzoeken. Met die beschikking is de zaak geëindigd. Dit betekent dat verzoekster niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar wrakingsverzoek. De wrakingskamer komt dus niet toe aan een inhoudelijke behandeling van het wrakingsverzoek. Er is daarom geen reden om het wrakingsverzoek nog op een zitting te behandelen.

3.De beslissing

De wrakingskamer verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar wrakingsverzoek.
Deze beslissing is gegeven door mr. H.M.H. de Koning, voorzitter, mr. T. van de Woestijne en mr. S.M.J. Korthuis - Becks, leden, en in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.
griffier voorzitter
Tegen deze beslissing staat
geenvoorziening open (artikel 39 lid 5 Rv Pro).