ECLI:NL:RBOBR:2020:6974

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
24 december 2020
Publicatiedatum
9 november 2021
Zaaknummer
WR 20/045
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 AwbArt. 8:18 AwbArt. 9.1 wrakingsprotocol rechtbank Oost-Brabant
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek na einduitspraak voorlopige voorziening omgevingsvergunning

Verzoeker maakte bezwaar tegen een omgevingsvergunning voor het herbouwen van een woonhuis en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter behandelde het verzoek en wees dit af. Na ontvangst van de uitspraak diende verzoeker een wrakingsverzoek in tegen de rechter die de voorlopige voorziening had afgewezen.

De wrakingskamer beoordeelde het verzoek en stelde vast dat een wrakingsverzoek alleen kan worden gedaan als er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de rechter onpartijdigheid heeft geschonden. Daarnaast is volgens het wrakingsprotocol van de rechtbank Oost-Brabant een wrakingsverzoek na einduitspraak niet ontvankelijk.

Omdat het wrakingsverzoek pas na de einduitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening was ingediend, was het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk. De wrakingskamer wees het verzoek daarom af zonder inhoudelijke behandeling. Tegen deze beslissing staat geen voorziening open.

Uitkomst: Wrakingsverzoek afgewezen wegens kennelijke niet-ontvankelijkheid omdat het verzoek na einduitspraak werd ingediend.

Uitspraak

beslissing
RECHTBANKOOST-BRABANT
Wrakingskamer
Zaaknummer: WR 20/045
Beslissing van 24 december 2020
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek ex artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van
[verzoeker], te [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoeker,
strekkende tot de wraking van
mr. J. Heijerman,
rechter in deze rechtbank
hierna te noemen: de rechter.

1.Procesverloop

Verzoeker heeft op 25 september 2020 bezwaar gemaakt tegen een omgevingsvergunning voor het herbouwen van een woonhuis in zijn woonplaats. Tevens heeft hij de voorzieningenrechter op 29 september 2020 verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is geregistreerd onder zaaknummer SHE 20/2667.
De rechter heeft het verzoek behandeld op de zitting van 23 november 2020. Na afloop van de zitting heeft de rechter onmiddellijk uitspraak gedaan. De rechter heeft het verzoek afgewezen. De uitspraak is op 4 december 2020 verzonden aan verzoeker.
Verzoeker heeft de rechter bij e-mail van 13 december 2020 gewraakt.

2.De beoordeling

2.1
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem bekend zijn geworden.
2.2
Op grond van artikel 9.1, aanhef en onder c, van het thans geldende wrakingsprotocol van de rechtbank Oost-Brabant kan de wrakingskamer een wrakingsverzoek wegens kennelijke niet-ontvankelijkheid zonder behandeling ter zitting aanstonds afwijzen indien het verzoek is ingediend na het tijdstip waarop in de hoofdzaak einduitspraak is of wordt gedaan.
2.3
Het wrakingsverzoek is gedaan nadat de rechter heeft beslist op het verzoek om een voorlopige voorziening. De wet voorziet echter niet in de mogelijkheid van wraking nadat einduitspraak is gedaan. Om die reden kan verzoeker niet in het wrakingsverzoek worden ontvangen. Voor een behandeling van het verzoek ter terechtzitting bestaat geen reden.
Het in de wet opgenomen recht op een mondelinge behandeling (artikel 8:18, eerste lid, van de Awb) is door de wetgever bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het verzoek, maar aan dat debat wordt gezien het vorenstaande niet toegekomen.

3.Beslissing

De wrakingskamer wijst het verzoek tot wraking af wegens kennelijke
niet-ontvankelijkheid.
Deze beslissing is gegeven op 24 december 2020 door mr. H.M.H. de Koning, voorzitter, mr. J.W. Brunt en mr. J.H. Wiggers, leden, in aanwezigheid van mr. J.R. Leegsma, griffier.
Nu de voorzitter daartoe buiten staat is, zal de oudste rechter deze beslissing mede ondertekenen.
griffier oudste rechter
Tegen deze beslissing staat
geenvoorziening open (artikel 8:18, vijfde lid, van de Awb).