De rechtbank Oost-Brabant heeft op 19 augustus 2020 uitspraak gedaan in een bodemzaak betreffende de vaststelling van onderhoudsbijdragen voor de minderjarige kinderen van partijen. De man en de zoon hebben gezamenlijk een verzoek ingediend tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging, opvoeding, levensonderhoud en studie. De vrouw heeft geen verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft de procedure behandeld zonder verweer van de vrouw en heeft het verzoek van de man en zoon toegewezen, omdat het verzoek niet onrechtmatig of ongegrond was. De rechtbank heeft geen zelfstandige beoordeling gemaakt van de behoefte en draagkracht van partijen.
De bijdrage voor de zoon is vastgesteld op €100 per maand, te voldoen door de vrouw aan de zoon, en de bijdrage voor de dochter eveneens op €100 per maand, te voldoen door de vrouw aan de man. De bijdragen gelden met ingang van 30 mei 2020 en zijn telkens bij vooruitbetaling te voldoen. De proceskosten worden gecompenseerd door iedere partij haar eigen kosten te laten dragen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.