Eiser maakte bezwaar tegen de aanslagen watersysteemheffing gebouwd en ingezetenen voor het jaar 2020, met name tegen het tarief van de watersysteemheffing ingezetenen. Hij stelde dat het tarief gebaseerd was op onzorgvuldige aannames over het aantal inwoners in het waterschapsgebied, wat leidde tot een te hoge aanslag.
De rechtbank overwoog dat de watersysteemheffing een bestemmingsheffing is en dat de opbrengsten alleen mogen worden besteed aan de kosten van het watersysteem. Dit was niet in geschil. De rechtbank benadrukte dat de tariefstelling als resultaat van wetgevende arbeid in principe niet door de belastingrechter wordt getoetst, tenzij deze in strijd is met hogere wetgeving of algemene rechtsbeginselen.
Eiser erkende dat zijn schatting van het aantal heffingseenheden slechts 0,75% afweek van die van het algemeen bestuur, maar betoogde dat de systematiek van de berekening niet was vastgelegd. De heffingsambtenaar legde uit dat het aantal inwoners wordt geschat en omgezet in heffingseenheden, rekening houdend met leegstand en kwijtscheldingen, waarna het tarief wordt vastgesteld.
De rechtbank vond dat de heffingsambtenaar voldoende inzicht had gegeven in de totstandkoming van het tarief en dat er geen aanwijzingen waren dat de aannames onjuist waren of dat het tarief leidde tot onredelijke of willekeurige belastingheffing. Eventuele motiveringsgebreken waren in beroep hersteld. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.