ECLI:NL:RBOBR:2021:1144
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens gebrek aan wettig bewijs voor ontuchtige handelingen met minderjarige
De rechtbank Oost-Brabant behandelde de zaak tegen een verdachte, docent, die werd beschuldigd van ontuchtige handelingen met een minderjarige leerling in de periode mei tot juli 2016. De tenlastelegging omvatte diverse seksuele handelingen, waaronder penetratie en betasting.
De officier van justitie baseerde zijn vordering op verklaringen van het slachtoffer en enkele getuigen die steunbewijs zouden vormen, zoals het lezen van seksueel getinte berichten en vondsten in de kamer van het slachtoffer. De verdediging voerde gebrek aan wettig bewijs aan en verzocht tot vrijspraak.
De rechtbank oordeelde dat de verklaringen van het slachtoffer onvoldoende worden ondersteund door ander bewijs. Er ontbraken bevestigende berichten tussen verdachte en slachtoffer, getuigenverklaringen waren vooral gebaseerd op wat het slachtoffer had verteld en boden onvoldoende overtuiging. De verdachte ontkende de feiten en er was geen bewijs van grensoverschrijdend contact.
Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs. De vordering van de benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard en de kosten werden begroot op nihil.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs voor ontuchtige handelingen met minderjarige.