In deze kortgedingprocedure vordert eiseres dat gedaagde wordt verplicht mee te werken aan de migratie van IT-diensten voor klant [A] naar een nieuwe dienstverlener. Eiseres baseert haar vordering op de stelling dat zij de raamovereenkomst met gedaagde rechtsgeldig heeft opgezegd wegens tekortkoming in de nakoming.
Gedaagde voert verweer dat de rechtbank onbevoegd is vanwege een arbitragebeding in de algemene voorwaarden van een overeenkomst tussen eiseres en [A], en betwist dat zij gehouden is tot medewerking aan migratie. Tevens stelt gedaagde dat de PO’s uit 2017 en de overeenkomst met [A] bepalend zijn, met een looptijd van 60 maanden zonder tussentijdse opzegmogelijkheid.
De voorzieningenrechter oordeelt dat onvoldoende aannemelijk is dat het arbitragebeding van toepassing is op het geschil tussen eiseres en gedaagde, zodat de rechtbank bevoegd is. Vervolgens wordt geoordeeld dat de stellingen van gedaagde over de looptijd en niet-opzegbaarheid van de overeenkomst niet voldoende zijn weerlegd door eiseres. Ook is onvoldoende gemotiveerd dat sprake is van een tekortkoming die beëindiging rechtvaardigt.
Gezien deze onzekerheden is nader feitenonderzoek in een bodemprocedure noodzakelijk. Omdat eiseres onvoldoende concreet schade heeft onderbouwd en het petitum te ruim is geformuleerd, worden de vorderingen afgewezen. Eiseres wordt veroordeeld in de proceskosten van gedaagde.