De rechtbank Oost-Brabant heeft op 2 april 2021 een 88-jarige verdachte veroordeeld voor het opzettelijk voorhanden hebben van 6.920.000 sigaretten die niet overeenkomstig de Wet op de Accijns waren betrokken. De zaak betrof een grote hoeveelheid sigaretten aangetroffen in een loods waarvan verdachte eigenaar en gebruiker was. De verdachte had toegang tot de loods en de pallets met sigaretten stonden dicht bij zijn woongedeelte.
De rechtbank stelde vast dat verdachte de huurders die de pallets brachten niet kende en geen legitimatie controleerde. Ondanks dat verdachte de inhoud van de pallets niet kon zien, heeft hij geen onderzoek gedaan naar de aard van de goederen en contante betalingen geaccepteerd. De rechtbank oordeelde dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het om illegale sigaretten ging en dat hij beschikkingsmacht had over de goederen.
De verdediging voerde aan dat verdachte geen zicht had op de inhoud en niet wist dat het om niet-veraccijnste sigaretten ging. Dit verweer werd door de rechtbank verworpen. De rechtbank achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het misdrijf heeft begaan. Gelet op de ernst van het feit, de omvang van de accijnsontduiking en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, legde de rechtbank een taakstraf van 100 uren op, subsidiair 50 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaar.