Eiseres maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van een onroerende zaak en kreeg in bezwaar een proceskostenvergoeding toegekend. In beroep stelde zij dat de vergoeding te laag was en verzocht zij tevens om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De rechtbank beoordeelde de hoogte van de proceskostenvergoeding voor het taxatierapport en de verleende rechtsbijstand. Hoewel de rechtbank de deskundigheid van de taxateur betwijfelde, achtte zij dit in de beroepsfase een gepasseerd station. De vergoeding werd vastgesteld op basis van een uurtarief van €68 en een redelijke tijdsbesteding, resulterend in een lagere vergoeding dan door eiseres gevraagd. Voor de rechtsbijstand werd een afwijkende wegingsfactor van 0,5 voor de hoorzitting gehanteerd, conform afspraken tussen partijen.
De totale proceskostenvergoeding in bezwaar bedroeg €885,18, terwijl eiseres reeds €906,78 had ontvangen. De rechtbank oordeelde dat eiseres hierdoor niet in een slechtere positie mocht komen en dus de reeds toegekende vergoeding mocht behouden. Het verzoek om schadevergoeding wegens schending van de redelijke termijn werd afgewezen omdat de termijn pas aanving bij het aanvullend bezwaarschrift, waardoor de redelijke termijn niet was overschreden.