Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
[verdachte] ,
De tenlastelegging.
heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die vogels (telkens) wist althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed (goederen) betrof;
heeft aangekocht en/of verworven voor commerciële doeleinden en/of tentoongesteld voor commerciële doeleinden en/of gebruikt met winstoogmerk en/of verkocht en/of in bezit gehad met het oog op verkoop en/of ten verkoop aangeboden en/of vervoerd met het oog op verkoop;
althans van dieren van in bijlage B bij de CITES-basisverordening genoemde soorten, onder zich heeft gehad;
De formele voorvragen.
De beoordeling van de ten laste gelegde feiten.
De bewijsmiddelen.
Nadere overwegingen van de rechtbank.
De bewezenverklaring.
terwijl hij wist dat door zijn handelen of nalaten, een besmetting met een krachtens artikel 15 Gezondheids Pro- en welzijnswet voor dieren aangewezen besmettelijke dierziekte, niet aan zijn verplichting heeft voldaan dergelijk handelen achterwege te laten, terwijl dit in redelijkheid van hem kon worden gevergd,
in bezit te hebben gehad met het oog op verkoop;
onder zich heeft gehad;
De strafbaarheid van de feiten.
De strafbaarheid van verdachte.
Oplegging van straf.
Toepasselijke wetsartikelen.
- artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 416 van het Wetboek van Strafrecht;
- artikelen 1, 1a, 2, 6, 7 van de Wet op de economische delicten;
- artikelen 10, 15, 101a van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren;
- artikel 2.1 van de Regeling handel levende dieren en levende producten;
- artikelen 3.1, 3.37 en 3.38 van de Wet natuurbescherming;
- artikel 3.14 van de Regeling natuurbescherming;
- artikel 3.24 van het Besluit natuurbescherming;
- artikelen 3 en 8 van de Basisverordening EG nr. 338/97;
- artikelen 2.2, 2.7, 8.11 en 8.12 van de Wet dieren;
- artikelen 3.6, 3.7, 3.10 en 3.14 van het Besluit houders van dieren.
DE UITSPRAAK
taakstrafvoor de duur van
240 uren[tweehonderdveertig uren] te vervangen door 120 dagen hechtenis indien verdachte deze taakstraf niet of niet naar behoren verricht.
ontzetting uit het rechtom zich beroepsmatig bezig te houden met het kweken en handelen van vogels in welke vorm of hoedanigheid dan ook, voor de duur van drie jaren.
niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een
proeftijd van drie jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.