Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juni 2021 in de zaak tussen
[naam] , te [woonplaats] , eiser
[naam] B.V., te [vestigingsplaats] , ex-werkgever
Rechtbank Oost-Brabant
Eiser, werkzaam als logistiek medewerker, meldde zich ziek na een verkeersongeval en vroeg een WIA-uitkering aan. Na aanvankelijke afwijzing werd hem een uitkering toegekend op basis van 39,83% arbeidsongeschiktheid. De ex-werkgever verzocht om herbeoordeling, waarna de uitkering werd verhoogd naar 48,27% arbeidsongeschiktheid. Eiser stelde dat de verzekeringsartsen onvoldoende onderzoek hadden gedaan en dat zijn lichamelijke en psychische beperkingen onderschat waren, met name vanwege chronische whiplashklachten en beperkingen bij hoofdbewegingen.
De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, waarbij meerdere rapporten en onderzoeken van verzekeringsartsen en medisch specialisten waren betrokken. De beperkingen werden adequaat vastgesteld, inclusief de beperking van hoofdbewegingen tot minimaal 30 graden. Het beroep op het protocol Whiplash Associated Disorder werd niet onderbouwd. Ook de psychische klachten werden niet als zodanig onderbouwd dat beperkingen moesten worden aangenomen.
Arbeidsdeskundigen stelden dat eiser in staat was om diverse voorbeeldfuncties te verrichten, ondanks zijn klachten en medicatiegebruik. De rechtbank vond geen aanleiding om aan te nemen dat eiser deze functies niet kon uitvoeren. De mate van arbeidsongeschiktheid van 48,27% werd dan ook terecht vastgesteld. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de verhoging van de WIA-uitkering wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit bevestigd.