ECLI:NL:RBOBR:2021:3151
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op startersregeling WW wegens eerdere zelfstandige werkzaamheden
Eiseres verzocht om toepassing van de startersregeling Werkloosheidswet (WW), maar het UWV wees dit verzoek af omdat zij al werkzaamheden als zelfstandige verrichtte voordat haar WW-uitkering aanving. Eiseres was tot 31 mei 2020 in dienst bij een werkgever, maar had vanaf 1 april 2020 al cliënten geadviseerd die met haar mee zouden gaan bij haar zelfstandige onderneming. Zij was ook per 29 mei 2020 ingeschreven bij de Kamer van Koophandel met terugwerkende kracht vanaf 1 april 2020.
De rechtbank oordeelt dat eiseres niet voldoet aan artikel 77a, eerste lid, onder b, van de WW, dat vereist dat de zelfstandige werkzaamheden nog niet zijn begonnen bij het verzoek om toepassing van de startersregeling. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat eiseres al voor de toezegging als zelfstandige werkte en geen nadelige gevolgen heeft ondervonden door de toezegging. Ook het beroep op het rechtszekerheidsbeginsel wordt verworpen, omdat het primaire besluit van het UWV terecht is gecorrigeerd binnen de bezwaartermijn en eiseres op de hoogte was van de onzekerheid over de toekenning.
De rechtbank concludeert dat het UWV de toekenning van de startersregeling terecht heeft ingetrokken en verklaart het beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van eiseres op de startersregeling WW wordt ongegrond verklaard omdat zij al zelfstandige werkzaamheden verrichtte voor het begin van haar WW-uitkering.