Art. 99 RvArt. 110 lid 2 RvArt. 50 Wet op de Rechterlijke Organisatie
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Verwijzing zaak naar bevoegde rechtbank wegens relatieve onbevoegdheid voorzieningenrechter
In deze kortgedingprocedure vordert de man dat de vrouw meewerkt aan de zorgregeling voor hun minderjarige zoon, waarbij onder meer omgangsregeling en vakantieverdeling aan de orde zijn. De vrouw betwist de bevoegdheid van de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant.
De voorzieningenrechter overweegt dat op grond van artikel 99 RvPro de relatieve bevoegdheid wordt bepaald door de woonplaats van de gedaagde, die in dit geval buiten het arrondissement Oost-Brabant valt. De man stelde dat de voorzieningenrechter ook als rechter-plaatsvervanger van de rechtbank Zeeland-West-Brabant kon optreden, maar dit is niet verzocht en ook niet aangewezen.
Omdat geen wettelijke uitzondering op de hoofdregel geldt, verklaart de voorzieningenrechter zich onbevoegd en verwijst de zaak naar de rechtbank Zeeland-West-Brabant. De proceskosten in het incident worden gecompenseerd, waarbij elke partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd en verwijst de zaak naar de rechtbank Zeeland-West-Brabant.
Uitspraak
vonnis
RECHTBANK OOST-BRABANT
Civiel Recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
zaaknummer / rolnummer: C/01/371688 / KG ZA 21-349
Vonnis in kort geding van 8 juli 2021
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats] ,
eiser,
advocaat mr. J.F.A. Raatjes te Assen,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde,
advocaat mr. C.E. Koopmans te Oud-Beijerland.
Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden.
1.De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 25 juni 2021;
de brief van mr. Raatjes van 2 juli 2021 met producties, genummerd 1 tot en met 4;
de conclusie van antwoord, ingekomen ter griffie van de rechtbank op 2 juli 2021 met producties;
de mondelinge behandeling ter zitting van 5 juli 2021, die vanwege de maatregelen in verband met Covid-19 heeft plaatsgevonden middels een Skype-verbinding;
de pleitnota van de man.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald op uiterlijk 19 juli 2021.
2.Het geschil
2.1.
De man vordert samengevat – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
de vrouw te veroordelen om per direct haar medewerking te verlenen aan de tussen partijen overeengekomen zorgregeling, waarbij de minderjarige zoon van partijen, [zoon] , één weekend per veertien dagen bij de man verblijft, de vakanties bij helfte tussen partijen worden verdeeld en de man recht heeft op drie contactmomenten per week, op straffe van verbeurte van een dwangsom en met machtiging van de man om de hulp van politie en justitie in te roepen. Daarnaast vraagt de man om de vrouw in de proceskosten te veroordelen.
2.2.
De vrouw heeft voor alle weren een beroep gedaan op de relatieve onbevoegdheid van de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant.
2.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
3.De beoordeling in het incident
3.1.
Allereerst moet worden beslist op het door de vrouw opgeworpen incident van onbevoegdheid van de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant. Ingevolge artikel 99 RvPro is de hoofdregel dat de relatieve bevoegdheid van de rechter wordt bepaald door de woonplaats van gedaagde. De gemeente [woonplaats] , waar de vrouw woont, behoort tot het arrondissement Zeeland-West-Brabant en niet tot het arrondissement Oost-Brabant. De voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant is in beginsel dan ook niet bevoegd om kennis te nemen van de vordering in de hoofdzaak.
3.2.
Mr. Raatjes heeft namens de man nog aangevoerd dat de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant tevens kan optreden als rechter-plaatsvervanger van de rechtbank Zeeland-West-Brabant en in die hoedanigheid bevoegd is kennis te nemen van de vorderingen in de hoofdzaak. Hiermee miskent de man dat hij de onderhavige zaak heeft aangebracht bij de rechtbank Oost-Brabant en niet bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant. Daarnaast is de voorzieningenrechter niet verzocht om voor de rechtbank Zeeland-West-Brabant als rechter-plaatsvervanger op te treden, terwijl hij evenmin op grond van art. 50 WetPro op de Rechterlijke Organisatie is aangewezen als voorzieningenrechter in de Rechtbank Zeeland-West Brabant.
3.3.
Nu zich bovendien geen van de wettelijke uitzonderingen op de hoofdregel van artikel 99 RvPro zich hier voordoet, is de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant gehouden zich onbevoegd te verklaren. De zaak zal op de voet van artikel 110 lid 2 RvPro worden verwezen naar de rechtbank Zeeland-West-Brabant.
3.4.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten in het incident tussen hen worden gecompenseerd als na te melden.
4.De beslissing
De voorzieningenrechter:
in het incident
4.1.
verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van de vordering in de hoofdzaak;
4.2.
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
in de hoofdzaak
4.3.
verwijst de zaak in de stand waarin zij zich bevindt naar de rechtbank Zeeland-West-Brabant;
4.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Loesberg en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2021.