De rechtbank Oost-Brabant heeft op 13 juli 2021 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een rechtspersoon die werd verdacht van het uit winstbejag behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland aan negen vreemdelingen zonder geldige verblijfsvergunning. De feiten vonden plaats tussen maart en december 2019, waarbij de vreemdelingen als chauffeurs werden ingezet zonder tewerkstellingsvergunning, wat hun verblijf wederrechtelijk maakte.
De rechtbank oordeelde dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte uit winstbejag handelde door de vreemdelingen zwart te betalen en zo loonheffingen en werkgeverslasten te ontduiken. Verdachte maakte van deze praktijk een gewoonte en handelde tezamen en in vereniging met anderen. De wetenschap omtrent het wederrechtelijk verblijf werd toegerekend aan de rechtspersoon via haar bestuurders, die bekend waren met de regelgeving.
De rechtbank hield rekening met de eerder opgelegde bestuurlijke boete en de faillissementsstatus van verdachte. Daarom werd een voorwaardelijke geldboete van €50.000,- met een proeftijd van drie jaar opgelegd, om herhaling te voorkomen. De verweren van verdachte werden verworpen en de strafbaarheid werd bevestigd. Het vonnis werd gewezen door mr. R. van den Munckhof, mr. T. Kraniotis en mr. L.J. Verborg.