ECLI:NL:RBOBR:2021:3744
Rechtbank Oost-Brabant
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Bezwaar tegen DNA-profielbepaling bij feitelijk leidinggeven economische delicten ongegrond verklaard
De veroordeelde, veroordeeld voor feitelijk leidinggeven aan diverse economische delicten, maakte bezwaar tegen het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel op grond van artikel 7 Wet Pro DNA-onderzoek bij veroordeelden. Hij stelde dat op grond van artikel 2, eerste lid, onder b, van de Wet DNA een uitzondering van toepassing zou zijn, omdat het DNA-onderzoek niet van betekenis zou zijn voor de opsporing en vervolging van strafbare feiten.
De rechtbank Oost-Brabant behandelde het bezwaar in besloten raadkamer en hoorde de gemachtigde advocaat en de officier van justitie. De veroordeelde was niet aanwezig ondanks oproeping. De rechtbank oordeelde dat het bezwaar tijdig en ontvankelijk was en dat de Wet DNA primair gericht is op het efficiënt opsporen van strafbare feiten en het voorkomen van nieuwe delicten.
De rechtbank stelde vast dat DNA-onderzoek in deze zaak wel degelijk van betekenis kan zijn, bijvoorbeeld doordat DNA-sporen kunnen worden aangetroffen op elektronische apparaten die bij de economische delicten zijn gebruikt. Er waren geen bijzondere omstandigheden in de persoon van de veroordeelde die tot een ander oordeel zouden leiden.
Daarom verklaarde de rechtbank het bezwaar ongegrond en bevestigde dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van de veroordeelde rechtmatig is.
Uitkomst: Het bezwaar tegen het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van de veroordeelde is ongegrond verklaard.