Deze civiele procedure betreft de vordering van een wettelijk vertegenwoordiger namens een minderjarige tot schadevergoeding wegens gederfd levensonderhoud na het overlijden van haar vader door doodslag gepleegd door de gedaagde.
De rechtbank bevestigt de aansprakelijkheid van de gedaagde op grond van een onherroepelijk strafvonnis en baseert de schadeberekening op een deskundigenrapport van Laumen Expertise. De schadeposten betreffen onder meer alimentatie, onderwijs- en studiekosten, en kosten voor levensonderhoud gedurende verblijfsdagen bij de vader.
Er bestaat discussie over de looptijd van de schadevergoeding, waarbij de rechtbank een redelijke termijn tot de leeftijd van 22 jaar van de minderjarige aanhoudt. Ook is de zorgverdeling vastgesteld op 41,1% van de week bij de vader, conform het ouderschapsconvenant.
De rechtbank kan de schade nog niet definitief vaststellen omdat onvoldoende duidelijkheid bestaat over het inkomen van de vader, met name over een betaling van €9.609,- en de fiscale bijtelling van de auto van de zaak. De rechtbank gelast overleg en aanvullende stukken, waaronder salarisspecificaties, en houdt verdere beslissing aan.