Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
1.[eiser sub 1] ,
Transavia Airlines C.V.,
Rechtbank Oost-Brabant
Eisers hadden een vlucht geboekt van Lissabon naar Eindhoven die op 25 mei 2018 met vertraging werd uitgevoerd. Zij vorderden compensatie van € 400 per passagier op grond van Verordening 261/2004 wegens vertraging, stellende dat geen sprake was van buitengewone omstandigheden.
Gedaagde, Transavia Airlines, voerde aan dat de vertraging veroorzaakt werd door restricties opgelegd door de luchtverkeersleiding vanwege capaciteitsproblemen en personeelstekorten, wat kwalificeert als een buitengewone omstandigheid. Tevens stelde zij dat alle redelijke maatregelen waren getroffen om de vertraging te beperken.
De rechtbank stelde vast dat de luchtverkeersleiding slots had opgelegd met code CE 81, wat een capaciteitsprobleem en geplande personeelsbezetting weerspiegelt. De vlucht werd omgeleid naar Amsterdam vanwege de avondsluiting van Eindhoven, waarmee de vertraging werd beperkt. De rechtbank oordeelde dat Transavia terecht een beroep deed op buitengewone omstandigheden en dat zij voldoende inspanningen had verricht om vertraging te voorkomen.
Daarom wees de rechtbank de vordering van eisers af en veroordeelde hen in de proceskosten. De wettelijke rente werd toegewezen vanaf de vijftiende dag na aanmaning van betaling van de proceskosten. De nakosten werden eveneens toegewezen voor zover deze op dat moment konden worden begroot.
Uitkomst: De vordering tot compensatie wegens vluchtvertraging wordt afgewezen wegens buitengewone omstandigheid en voldoende getroffen maatregelen.