De zaak betreft een bestuursrechtelijk geschil tussen een werkgeefster en het UWV over de voortzetting van een WIA-uitkering aan een ex-werkneemster. Het UWV had aanvankelijk vastgesteld dat de uitkering ongewijzigd zou worden voortgezet, waarbij de ex-werkneemster volledig maar niet duurzaam arbeidsongeschikt werd geacht. De werkgeefster ging hiertegen in bezwaar en vervolgens in beroep bij de rechtbank.
Tijdens de procedure nam het UWV een nieuw besluit waarin de ex-werkneemster per 17 juli 2019 volledig en duurzaam arbeidsongeschikt werd verklaard en een IVA-uitkering werd toegekend. Hierop trok de werkgeefster haar beroep in en verzocht de rechtbank het UWV te veroordelen in de proceskosten.
De rechtbank oordeelde dat het UWV op grond van de Awb artikel 8:75a en 8:75 in de proceskosten moest worden veroordeeld, omdat het bestuursorgaan aan de indiener van het beroep was tegemoetgekomen. De kosten werden vastgesteld op € 1.870,- conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. De kosten voor de ingeschakelde bedrijfsarts werden niet vergoed, omdat niet was gebleken dat deze een schriftelijk verslag had uitgebracht zoals vereist. De uitspraak werd gedaan door rechter A.F. Vink op 1 oktober 2021.