ECLI:NL:RBOBR:2021:5406
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek medebelanghebbendenbeschikking WOZ-waarde woning 2018
Eiseres was op 1 januari 2018 eigenaar van een woning en ontving in februari 2018 een WOZ-beschikking over dat jaar. Na verkoop van de woning op 17 mei 2018 ontving zij op 31 december 2019 een nieuwe WOZ-beschikking over 2018, waarbij het aanslagbedrag hoger uitviel. Eiseres verzocht om een medebelanghebbendenbeschikking op grond van artikel 28 Wet Pro WOZ, maar verweerder wees dit verzoek af omdat zij reeds een beschikking had ontvangen volgens artikel 24, derde lid, Wet WOZ.
Het bezwaar van eiseres tegen deze afwijzing werd niet-ontvankelijk verklaard, waarna zij beroep instelde bij de rechtbank. De rechtbank oordeelde dat artikel 28 Wet Pro WOZ expliciet belanghebbenden uitsluit die reeds een beschikking volgens artikel 24 hebben Pro ontvangen, waardoor eiseres geen recht heeft op een medebelanghebbendenbeschikking. Ook het beroep op het EVRM-protocol faalde omdat eiseres voldoende gelegenheid heeft om de waardebepaling te betwisten via bezwaar en beroep tegen de beschikking van 31 december 2019.
De rechtbank verwees naar eerdere jurisprudentie van het Hof Amsterdam en de Hoge Raad die deze uitleg bevestigen. De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en wees een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.
Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard omdat zij geen recht heeft op een medebelanghebbendenbeschikking over 2018.