De zaak betreft een omgevingsvergunning verleend aan aannemers voor de bouw van 19 woningen op een locatie waar bodemverontreiniging was vastgesteld. Omwonenden, wonend op circa 40 meter afstand, maakten bezwaar uit vrees voor bodemverontreiniging en mogelijke schade door bouwwerkzaamheden.
De rechtbank oordeelde dat artikel 2.4.1 van de Bouwverordening, dat bouwen op verontreinigde grond verbiedt, uitsluitend bedoeld is ter bescherming van toekomstige bewoners van de woningen en niet van omwonenden. De sanering van de verontreinigde grond was onherroepelijk goedgekeurd door Gedeputeerde Staten, en de vergunninghouder moet maatregelen treffen om schade door overwaaien van grond te voorkomen.
Daarnaast concludeerde de rechtbank dat de bezwaarprocedure zorgvuldig was verlopen, ondanks dat bepaalde pleitaantekeningen niet in het dossier waren opgenomen. De klacht over onvoldoende informatievoorziening werd als onvoldoende gegrond beoordeeld. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit gehandhaafd.