Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de meervoudige kamer van 12 februari 2021 in de zaak tussen
[eiseres] , in [woonplaats] , eiseres
de minister voor Medische Zorg, de minister
Procesverloop
Overwegingen
“Serologie is bevestigend in 2016, hiermee kan ik de periode niet herleiden, serologie past bij infectie in verleden”. Vervolgens heeft de minister de aanvraag voor advies voorgelegd aan de Medische Commissie Q-koortsregeling (hierna: de MC). De MC heeft op 21 februari 2019 geoordeeld dat de verklaring van eiseres dat zij QVS heeft niet juist is. Volgens de MC zijn er voldoende aanwijzingen voor een doorgemaakte Q-koorts in het verleden. Maar er zijn onvoldoende aanwijzingen voor QVS, QVS gelijkend ziektebeeld of chronische Q-koorts. De chronische vermoeidheid van eiseres is volgens de MC pas ontstaan in 2015 terwijl serologisch doorgemaakte Q-koorts in 2016 werd aangetoond. Dit beloop maakt QVS of QVS gelijkend ziektebeeld volgens de MC minder waarschijnlijk. De minister heeft daarom de aanvraag van eiseres afgewezen.
- een brief van Bos aan eiseres van 21 maart 2019;
- een op 22 maart 2019 opgemaakt verslag van een gesprek dat eiseres heeft gehad met dr. A. Olde Loohuis, medisch adviseur van de Stichting Q-support;
- een medische verklaring van 29 maart 2019 van kinderrevalidatiearts J. van den Broek d’Obrenan van revalidatiecentrum De Hoogstraat in Utrecht.
- een uitdraai van bezoeken van eiseres aan de huisarts;
- een verslag van de polikliniek van het Wilhelmina Kinderziekenhuis van 14 december 2017;
- verschillende verslagen van revalidatiecentrum De Hoogstraat;
- een brief van eiseres aan de Kinderombudsman uit april 2017.
De beroepsgronden van eiseres en het oordeel van de rechtbank
- een e-mailwisseling in de periode 16 februari 2020 – 10 maart 2020 tussen eiseres en prof. dr. Esther de Vries, hoogleraar aan de Universiteit van Tilburg (Tranzo, het wetenschappelijk centrum voor zorg en welzijn van de Tilburg School of Social and Behavioral Sciences).
- het wetenschappelijke artikel