ECLI:NL:RBOBR:2021:5485

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
6 augustus 2021
Publicatiedatum
18 oktober 2021
Zaaknummer
WR 21/027
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 512 SvArt. 515 lid 5 Rv
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid wrakingsverzoek na einduitspraak voorlopige hechtenis

Verzoeker, verdachte in een strafzaak, diende een wrakingsverzoek in tegen drie rechters van de rechtbank Oost-Brabant nadat zijn verzoek tot opheffing of schorsing van voorlopige hechtenis was afgewezen. Het wrakingsverzoek betrof vermeende vooringenomenheid van de rechters.

De wrakingskamer oordeelde dat een wrakingsverzoek slechts tijdig kan worden ingediend zolang de rechter nog betrokken is bij de behandeling van de zaak. Omdat de rechters reeds een einduitspraak hadden gedaan, was het wrakingsverzoek niet-ontvankelijk. De kamer benadrukte dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen inhoudt dat een rechterlijke beslissing zelf geen grond kan vormen voor wraking.

De wrakingskamer heeft daarom het verzoek niet inhoudelijk beoordeeld en het verzoeker niet-ontvankelijk verklaard. Tegen deze beslissing staat een voorziening open.

Uitkomst: Wrakingsverzoek niet-ontvankelijk verklaard omdat de rechters reeds een einduitspraak hadden gedaan.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK OOST-BRABANT

Wrakingskamer
zaaknummer: WR 21/027
Beslissing van 6 augustus 2021
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek ex artikel 512 van Pro het
Wetboek van Strafvordering (Sv) van
[verzoeker], te [woonplaats]
nu gedetineerd in PI Dordrecht.
hierna te noemen: verzoeker.
(raadsman: mr. V.C. Langenburg)
strekkende tot de wraking van
mr. I.L.A. Boer, mr. C. Zandbergen en mr. M. Jansen
rechters in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechters.

1.De procedure

Verzoeker is verdachte in de strafzaak met parketnummer 82-125387-21.
Op 21 juli 2021 heeft verzoeker bij de rechtbank een verzoekschrift ingediend dat strekt tot
opheffing subsidiair schorsing van zijn voorlopige hechtenis.
Bij een door de rechters gegeven beslissing van 28 juli 2021 heeft de meervoudige strafraadkamer van de rechtbank het verzoek om opheffing van de voorlopige hechtenis en het verzoek om schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis afgewezen.
Bij brief van 30 juli 2021 heeft de raadsman van verzoeker namens verzoeker een wrakingsverzoek ingediend en gesteld dat de rechters partijdig zijn.
De griffier heeft de raadsman op 10 augustus 2021 telefonisch op de hoogte gesteld van de beslissing van de wrakingskamer.

2.De beoordeling

2.1
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem bekend zijn geworden.
2.2
De rechtbank oordeelt dat het wrakingsverzoek kennelijk niet-ontvankelijk is en dat zij daarom niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek. Daarbij overweegt de rechtbank het volgende.
2.2.1
Op grond van artikel 512 Sv Pro kan de rechter die een zaak behandelt, worden gewraakt. Dat rechtsmiddel is derhalve toegekend aan een partij die wenst te voorkomen dat een rechter die jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans aan een partij die dienaangaande bestaande vrees heeft die objectief gerechtvaardigd is, (nog langer) bemoeienis met de zaak zal hebben. Dat doel kan niet meer worden bereikt als de rechter reeds een einduitspraak heeft gedaan omdat de behandeling van de zaak daarmee is geëindigd.
2.2.2
Verzoeker heeft de rechters bij brief van 30 juli 2021 gewraakt naar aanleiding van de afwijzende beslissing van de meervoudige strafraadkamer van de rechtbank van 28 juli 2021 over het verzoek tot opheffing subsidiair schorsing van de voorlopige hechtenis. Met die beslissing is de behandeling van de zaak door de rechters geëindigd, hetgeen betekent dat het wrakingsverzoek niet als tijdig kan worden aangemerkt
2.2.3
Verzoeker stelt dat gelet op de inhoudelijke motivering van de beslissing van de meervoudige strafraadkamer van de rechtbank sprake is van vooringenomenheid van de rechters. Ten overvloede overweegt de wrakingskamer als volgt. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt echter mee dat een rechterlijke beslissing geen grond kan vormen voor wraking. De wrakingskamer komt geen oordeel toe over de juistheid van de beslissing. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak.

3.De beslissing

De wrakingskamer verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in het wrakingsverzoek.
Deze beslissing is gegeven op 6 augustus 2021 door mr. H.M.H. de Koning, voorzitter,
mr. J.A Brunt.en mr. J.O.Y. Elagab, leden, in aanwezigheid van F.L.van Huijkelom griffier.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat
geenvoorziening open (artikel 515 lid 5 Rv Pro)