Eisers huurden sinds maart 2021 een woning van UCP. UCP startte een procedure tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming wegens overlast. De dagvaarding werd betekend aan het woonadres van eisers, terwijl eisers uitdrukkelijk hun kantooradres als woonplaats hadden gekozen voor betekening. Eisers verschenen niet bij de zitting, waarna verstek werd verleend en het vonnis tot ontruiming werd uitgesproken.
Eisers vorderden in kort geding schorsing van de executie van het verstekvonnis, stellende dat de dagvaarding nietig was door onjuiste betekening en dat UCP onrechtmatig had gehandeld door de advocaat niet te informeren. UCP stelde dat de betekening rechtsgeldig was en dat eisers geen redelijk belang hadden bij een andere woonplaatskeuze.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de belangenafweging, conform het arrest van de Hoge Raad van 20 december 2019, in het voordeel van eisers uitviel. De dagvaarding had niet aan de advocaat van eisers betekend mogen worden zonder mededeling, waardoor eisers niet de kans hadden gekregen om verweer te voeren. De schorsing van de executie werd daarom toegewezen totdat in de verzetprocedure is beslist, met de voorwaarde dat eisers voor 1 november 2021 de verzetdagvaarding uitbrengen.
UCP werd veroordeeld in de proceskosten, begroot op €1.450,09, vermeerderd met wettelijke rente. De overige vorderingen werden afgewezen.