Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2021:5909

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
1 april 2021
Publicatiedatum
11 november 2021
Zaaknummer
WR 20/008
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechter in kort geding executiegeschil

Verzoekers dienden een wrakingsverzoek in tegen de voorzieningenrechter die een kort geding behandelde waarin zij als gedaagde partij optreden. Het verzoek betrof vermeende vooringenomenheid omdat dezelfde rechter eerder een vergelijkbare zaak behandelde en toen een ontruimingsvordering van verzoekers afwees.

De rechter stelde dat het huidige kort geding een ander onderwerp betreft, namelijk een executiegeschil over de schorsing van tenuitvoerlegging van ontruimingsvonnissen, en dat de eerder overgelegde eigen verklaring van de wederpartij nu niet relevant is. Er is geen aanwijzing voor partijdigheid of objectieve vrees daarvoor.

De wrakingskamer oordeelde dat het feit dat dezelfde rechter eerder een beslissing nam in een gerelateerde zaak geen voldoende grond is voor wraking. Er ontbreken uitzonderlijke omstandigheden die een objectieve vrees voor partijdigheid rechtvaardigen. Het wrakingsverzoek werd daarom afgewezen.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de voorzieningenrechter wordt afgewezen wegens gebrek aan objectieve vrees voor partijdigheid.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK OOST-BRABANT

Wrakingskamer
Zaaknummer: WR 20/008
Beschikking van 1 april 2020
op het wrakingsverzoek van

1.[naam] ,

2.
[naam],
beiden wonende te [woonplaats] ,
verzoekers,
advocaat mr. M.M. van der Marel te Eindhoven,
dat zich richt tegen
mr. E. LOESBERG,
in zijn hoedanigheid van voorzieningenrechter in de rechtbank Oost-Brabant bij de behandeling van de zaak met zaaknummer: [nummer] .
Partijen zullen hierna respectievelijk verzoekers en de rechter worden genoemd.

1.Procesverloop

1.1.
De wrakingskamer heeft kennisgenomen van:
  • het proces verbaal van de zitting in de hoofdzaak op 13 maart 2020 met daarin opgenomen het wrakingsverzoek;
  • het (aanvullend) verzoekschrift tot wraking van 16 maart 2020 met producties;
  • de schriftelijke reactie van de rechter van 25 maart 2020 op het wrakingsverzoek;
  • het dossier in de hoofdzaak.
1.2.
Verzoekers en de rechter hebben er, in verband met de situatie rond het Corona-virus, mee ingestemd dat er geen mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek zal plaatsvinden.
De griffier van de wrakingskamer heeft de wederpartij van verzoekers in de hoofdzaak bij e-mail van 25 maart 2020 de schriftelijke reactie van de rechter op het wrakingsverzoek toegestuurd. In die e-mail is ook vermeld dat verzoekers en de rechter zich, gezien de huidige omstandigheden rondom het Corona virus, niet verzetten tegen afdoening van het wrakingsverzoek zonder zitting. De wrakingskamer heeft hierop van de wederpartij van verzoekers in de hoofdzaak geen reactie ontvangen.
De wrakingskamer heeft in het voorgaande aanleiding gezien het wrakingsverzoek niet op zitting te behandelen, maar op de stukken te beoordelen en beslissen.

2.Het verzoek en het verweer

2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de procedure met zaaknummer [nummer] . Verzoekers hebben betoogd dat de rechter niet onbevooroordeeld dat geschil kan beoordelen. Ter onderbouwing van het wrakingverzoek hebben zij - kort samengevat - het volgende naar voren gebracht.
De hoofdzaak betreft een kort geding, waar verzoekers als gedaagde partij optreden. De rechter heeft al eerder een kort geding tussen de partijen in de hoofdzaak behandeld. Dat eerdere kort geding en het kort geding dat de rechter nu behandelt gaan in wezen om hetzelfde geschilpunt. In het eerdere kort geding heeft de rechter de ontruimingsvordering van verzoekers afgewezen. De rechter heeft daarbij onder meer overwogen dat gedaagden hun verweer deugdelijk hebben gemotiveerd middels overlegging van een (door verzoeker betwiste) eigen verklaring. Nu de zaak weer bij de rechter voorligt, bestaat er bij verzoekers een objectief gerechtvaardigde twijfel dat de rechter zich niet vrij zal achten om in dit tweede kort geding tot een ander standpunt te komen dan hij in het eerdere kort geding heeft ingenomen. Ook nu speelt de eigen verklaring van de wederpartij van verzoekers een rol.
2.2.
De rechter heeft aangegeven niet in de wraking te berusten. Hij heeft daarbij aangevoerd dat hij in het eerdere kort geding de ontruimingsvordering van verzoekers heeft afgewezen. Die vordering is vervolgens in een bodemprocedure toegewezen. Het kort geding dat thans aanhangig is, betreft een executiegeschil. Het gaat daarbij niet om de eerder afgewezen vordering tot ontruiming, maar om de vraag of de tenuitvoerlegging van de ontruimingsvonnissen moet worden geschorst. Er speelt nu dus een andere vraag dan in het eerdere kort geding. De destijds overgelegde eigen verklaring van de wederpartij van verzoekers is nu niet van belang.
Daar komt bij, dat uit het voorlopig oordeel van de rechter van destijds met betrekking tot die eigen verklaring, niet kan worden afgeleid dat hij partijdig is. Evenmin kan daaruit een objectieve vrees voor partijdigheid voortvloeien, aldus de rechter.

3.De beoordeling

3.1.
Ingevolge artikel 36 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dient te worden beoordeeld of sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Hierbij stelt de wrakingskamer voorop dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter met betrekking tot een procespartij vooringenomen is, althans dat de dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Ook de (te vermijden) schijn van partijdigheid is bij de beoordeling van het wrakingsverzoek van belang.
3.2.
Van uitzonderlijke omstandigheden in voormelde zin is naar het oordeel van de wrakingskamer hier geen sprake. Dat de rechter een eerder kort geding tussen de partijen in de hoofdzaak heeft behandeld en daarbij een beslissing heeft genomen in het nadeel van verzoekers, kan volgens vaste jurisprudentie geen valide grond voor wraking opleveren. Met het nemen van die beslissing blijkt weliswaar onvermijdelijk van een standpunt van de rechter, maar dat is op zichzelf onvoldoende. Terecht merken ook verzoekers op dat voor een gegronde wraking bijkomende, uitzonderlijke omstandigheden vereist zijn. Die zijn in dit geval echter niet aanwezig. Anders dan verzoekers als bijkomende grond naar voren lijken te brengen, gaat het in het huidige kort geding om een andere (rechts-) vraag dan in het eerdere kort geding. Uit de bijkomende omstandigheid dat het onderliggende feitencomplex in het eerdere en het thans dienende kort geding grotendeels hetzelfde is, kan geen (objectiveerbare) schijn van partijdigheid van de rechter worden afgeleid.
Ook overigens is in de stellingen en stukken van verzoekers geen grond gelegen voor het oordeel dat de rechter een (objectiveerbare) schijn van partijdigheid heeft gewekt.
3.3.
Het wrakingsverzoek wordt daarom afgewezen.

4.De beslissing

De wrakingskamer,
wijst af het verzoek tot wraking van mr. E. Loesberg in de zaak met zaaknummer [nummer] .
Deze beschikking is gegeven door mr. E.J.C. Adang, voorzitter, mr. W. Brouwer en mr. C.T.C. Wijsman, leden, en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.