ECLI:NL:RBOBR:2021:6476

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
13 december 2021
Publicatiedatum
13 december 2021
Zaaknummer
C/01/377214 BP RK 21-646
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 700 lid 3 RvArt. 703 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing tweede verzoek tot verlenging termijn indienen eis na conservatoir bewijsbeslag

Verzoeksters hebben na het leggen van conservatoir bewijsbeslag op digitale bescheiden een tweede verzoek ingediend om verlenging van de termijn voor het instellen van de eis in de hoofdzaak, van 13 december 2021 tot 13 februari 2022. Gerekestreerden maakten hiertegen bezwaar en voerden verweer tijdens een hoorzitting.

De voorzieningenrechter overwoog dat de termijnverlenging bedoeld is om te voorkomen dat beslag als pressiemiddel wordt gebruikt zonder dat de eis wordt ingesteld. Een tweede verlenging wordt slechts toegestaan indien de beslagene daarmee instemt, wat hier niet het geval was. Verzoeksters hadden reeds een termijn van veertien dagen plus twee maanden gekregen, wat voldoende geacht werd.

Verzoeksters stelden dat de zaak complex is en dat zij werden tegengewerkt, maar dit werd onvoldoende aannemelijk gemaakt. Ook de hoeveelheid bescheiden was beperkt en de deurwaarder was nog bezig met dataselectie, maar dit stond niet aan het indienen van de eis in de weg. Het verzoek tot verlenging werd daarom afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek tot verlenging van de termijn voor het indienen van de eis in de hoofdzaak is afgewezen.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
zaaknummer / rekestnummer: C/01/377214 / BP RK 21-646
Beschikking van de voorzieningenrechter van 13 december 2021
in de zaak van
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
LABORATORIUM PRO HEALTH B.V.,
gevestigd te Nederweert,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
PRO-HEALTH B.V.,
gevestigd te Weert,
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
MAXUNAC B.V.,
gevestigd te Weert,
verzoeksters,
advocaten mr. J. Stokmans en mr. J.WP. Tulfer te Eindhoven,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
JHR CLUB INTERNATIONAL B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
SANSO INVESTMENTS B.V.,
gevestigd te Dordrecht ,
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
HEALTHCARE INTERNATIONAL GROUP B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
ANTH&M B.V.,
gevestigd te Weert,
5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
LABORATORIUM HEALTHCARE MEDICAL B.V.,
gevestigd te Eindhoven,
6.
[gedaagde 1],
wonende te [woonplaats 1] ,
7.
[gedaagde 2],
wonende te [woonplaats 2] ,
8.
[gedaagde 3],
wonende te [woonplaats 3] ,
gerekestreerden,
advocaten mr. N.H.A. Kampschreur (namens gerekestreerden sub 1, 2, 3, 5, 7 en 8) en mr. M. Goorts (namens gerekestreerden sub 4 en 6) te Eindhoven.

1.Inleiding

1.1.
Verzoeksters hebben, nadat de voorzieningenrechter daarvoor op 13 september verlof had verleend, op 29 september 2021 ten laste van gerekestreerden conservatoir bewijsbeslag gelegd op kort gezegd (digitale) bescheiden en gegevensdragers.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft in het verlof de termijn voor het instellen van de hoofdzaak bepaald op veertien dagen na beslaglegging. Verzoeksters hadden verzocht om een termijn van drie maanden.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft nadien op verzoek van verzoeksters de termijn voor het instellen van de hoofzaak verlengd tot 13 december 2021.

2.De procedure

2.1.
Verzoeksters hebben op 8 december 2021 een verzoekschrift ingediend ex artikel 700 lid 3 Rv Pro waarin zij wederom vragen om verlenging van de termijn voor het instellen van de eis in de hoofdzaak, ditmaal van 13 december 2021 tot 13 februari 2021.
2.2.
Gerekestreerden hebben bij afzonderlijke brieven van hun advocaten van 3 december 2021 al op voorhand aan de voorzieningenrechter bericht dat zij bezwaar hebben tegen de termijnverlening. De brieven door verzoeksters ook overgelegd als bijlagen bij het verzoekschrift.
2.3.
De voorzieningenrechter heeft partijen vervolgens op 10 december 2021 gehoord via Skype.
2.4.
Ten slotte is beschikking bepaald op 13 december 2021 om 10:00 uur.

3.De beoordeling

3.1.
Het gaat hier om een tweede verzoek tot verlenging van de termijn voor het instellen van de eis in de hoofdzaak na een gelegd bewijsbeslag. Uit het arrest van de Hoge Raad van 9 februari 2007, NJ 2007/103 (Wessex/Itera) volgt dat de termijn bedoeld in artikel 700 lid 3 Rv Pro de strekking heeft te voorkomen dat de schuldeiser het beslag alleen als pressiemiddel gebruikt en na het leggen van het beslag blijft stilzitten. In de Beslagsyllabus staan daarom strikte regels voor de verlening van die termijn.
3.2.
Eén van die regels is dat een tweede verlening in beginsel slechts wordt toegestaan als de beslagene daarmee instemt. Die regel geldt ook voor bewijsbeslagen. Duidelijk is dat gerekestreerden niet instemmen met een termijnverlenging. Zij hebben daar op voorhand al schriftelijk bezwaar tegen gemaakt en hebben daar ook tijdens het verhoor verweer tegen gevoerd.
3.3.
De voorzieningenrechter ziet in hetgeen verzoeksters naar voren hebben gebracht onvoldoende aanleiding om van de hierboven genoemde beginsel af te wijken en de termijn voor de tweede maal te verlengen. Verzoeksters hebben inmiddels een termijn van veertien dagen plus twee maanden de tijd gehad om de hoofdzaak aanhangig te maken. Gerekestreerden hebben er belang bij dat zij inmiddels weten waar zij aan toe zijn en waar zij zich tegen moeten verweren. Dat enkel beslag is gelegd op kopieën en gerekestreerden over de originele bescheiden kunnen blijven beschikken neemt niet weg dat de beslaglegging door hen kan worden ervaren als een pressiemiddel. Zij stellen ook uitdrukkelijk dat dit het geval is.
3.4.
Verzoeksters hebben onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de termijn van veertien dagen plus twee maanden voor hen redelijkerwijs te kort is om de eis in de hoofdzaak te kunnen indienen. Verzoeksters stellen in dat kader dat het zou gaan om een zeer complexe zaak waarin zij stelselmatig door verweerders worden tegengewerkt in hun onderzoek om de waarheid boven tafel te krijgen. Verzoeksters hebben dat naar het oordeel van de voorzieningenrechter, gelet op de gemotiveerde betwisting door gerekestreerden, onvoldoende aannemelijk gemaakt. De voorzieningenrechter ziet dan ook niet dat de verzochte termijnverlenging niet alleen in het belang zou zijn van verzoeksters, maar ook in het belang van een goede procesorde omdat daarmee reparaties achteraf in de hoofdzaak zouden kunnen worden voorkomen, zoals verzoeksters stellen.
3.5.
Voor zover verzoeksters stellen dat zij onvoldoende tijd hebben gehad om de bescheiden die zij hebben ontvangen naar aanleiding van het vonnis in kort geding van 15 november 2021 te bestuderen, geldt dat namens gerekestreerden gemotiveerd is betoogd dat het gaat om een beperkte hoeveelheid bescheiden die eenvoudig binnen de geldende termijn moeten kunnen worden beoordeeld. Verzoeksters hebben dat niet, althans onvoldoende voldoende gemotiveerd, weersproken.
3.6.
Dat de deurwaarder die belast is met de beslaglegging de dataselectie nog niet heeft afgerond staat in beginsel niet aan de weg aan het indienen van de eis in de hoofdzaak. Bovendien hebben verzoeksters in feite zelf in de hand gewerkt dat de deurwaarder nog bezig is met het selecteren van de data door in het beslagrekest om zeer ruime zoekmogelijkheden met een grote hopeveelheid zoektermen te verzoeken.
3.7.
Slotsom is dat het verzoek om verlening van de termijn zal worden afgewezen.

4.De beslissing

De voorzieningenrechter
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. E. Loesberg op 13 december 2021.