Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de meervoudige kamer van 20 december 2021 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
de heffingsambtenaar van de gemeente Oirschot, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
4 november 2021 en maken zo deel uit van het procesdossier.
4. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen de objectkenmerken van de woning niet in geschil zijn. De rechtbank zal bij de beoordeling van het beroep daarom uitgaan van de juistheid van deze in verweerders waardematrix beschreven objectgegevens. Daarbij merkt de rechtbank op dat uit de gedingstukken volgt, en eiser heeft dit niet weersproken, dat het hiervoor onder de feiten genoemde perceel [kadastraal nummer] , in eigendom toebehoort aan [naam] als ( [naam] -)eigenaar. Eiser heeft een recht van erfpacht op de grond en ook mede een opstalrecht gevestigd.
5. Eiser plaatst in beroep kanttekeningen bij de door verweerder eerder gebruikte vergelijkingsobjecten [adres] en [adres] . Het staat verweerder echter vrij om in iedere fase van de procedure, dus ook in de beroepsfase, de waardevaststelling anders te onderbouwen en de daarbij gebruikte vergelijkingsobjecten te wijzigen. Verweerder heeft deze twee vergelijkingsobjecten ter onderbouwing van de waarde laten vallen. Aan wat eiser aanvoert over deze twee objecten komt dan ook in dit verband geen betekenis meer toe.
Eiser voert aan dat de waarde te hoog is bepaald. Hij wijst op het taxatierapport van de door hem ingeschakelde taxateur M. van Breukelen, opgemaakt op 5 november 2019, dat in beroep is overgelegd. Uit de vier transacties die eiser gebruikt op het recreatiepark [naam] volgt, kort gezegd, een beduidend lagere taxatiewaarde, namelijk € 153.000.
7. De rechtbank wijst op artikel 17, eerste lid, van de Wet WOZ. Op grond van dit artikel wordt aan een onroerende zaak een waarde toegekend. Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt deze waarde bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Daarbij heeft naar de bedoeling van de wetgever als waarde te gelden de waarde in het economische verkeer, ofwel de prijs, die bij aanbieding ten verkoop op de voor die onroerende zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meestbiedende gegadigde voor de onroerende zaak zou zijn betaald.
schil 1: 0-450 m², met een afslag van 0%, dus € 112,50 per m²
schil 2: 450-750 m², met een afslag van 50%, dus € 56,25 per m²
schil 3: groter dan 750 m², met een afslag van 75%, dus, € 28,12 per m².
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- stelt de waarde van de woning per waardepeildatum 1 januari 2018, voor het kalenderjaar 2019, vast op € 165.000 en vermindert de voor de woning opgelegde aanslag onroerende zaakbelasting dienovereenkomstig;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 47 aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.528,26
- veroordeelt de Staat in de door eiser geleden schade tot een bedrag van € 1.000.