De rechtbank Oost-Brabant heeft op 6 oktober 2021 een bevel tot gevangenhouding van verdachte uitgesproken voor een periode van negentig dagen. Dit volgde op een eerder bevel tot bewaring door de rechter-commissaris op 24 september 2021. De officier van justitie had de gevangenhouding gevorderd, terwijl de verdediging verzocht om opheffing dan wel schorsing van de voorlopige hechtenis.
Na zorgvuldige beoordeling van het strafdossier en het horen van partijen concludeerde de rechtbank dat de verdenking en ernstige bezwaren, zoals bedoeld in artikel 67a Sv, nog steeds aanwezig zijn. Daarbij speelde het aantreffen van een factuur van een medicijnbal en de resultaten van een NFiDENT-onderzoek een rol. Tevens is vastgesteld dat het feit waarvoor verdachte wordt verdacht een gevangenisstraf van twaalf jaar of meer kan opleveren en dat de rechtsorde hierdoor ernstig is geschokt.
De rechtbank overwoog dat invrijheidstelling via schorsing van de voorlopige hechtenis, ook onder bijzondere voorwaarden, waarschijnlijk tot maatschappelijke commotie zal leiden. Omdat er geen zeer bijzondere persoonlijke omstandigheden zijn aangevoerd, wees de rechtbank de verzoeken tot opheffing en schorsing af en bevestigde de gevangenhouding voor negentig dagen.