Partijen, voormalig partners, hebben een minderjarige dochter die sinds 2010 bij de moeder in Nederland woont. De vader woont in het buitenland en heeft de dochter tijdens vakanties ontvangen. Na de kerstvakantie 2020 keerde de minderjarige niet terug naar Nederland, waarna de moeder een kort geding startte om haar terug te laten leiden.
De vader vordert in reconventie dat de dochter bij hem of familieleden blijft totdat de bodemprocedure over de hoofdverblijfplaats is afgerond, onder verwijzing naar psychische problemen van het kind. De moeder stelt dat de hoofdverblijfplaats van de dochter in Nederland is en dat terugkeer noodzakelijk is.
De rechtbank oordeelt dat de gewone verblijfplaats van het kind in Nederland is en dat Nederlands recht van toepassing is. Er zijn wel zorgen over de psychische gesteldheid van het kind, maar onvoldoende concrete aanwijzingen voor een onveilige situatie bij de moeder. Daarom wordt de vordering van de moeder toegewezen en die van de vader afgewezen.
De vader wordt veroordeeld om de minderjarige binnen vijf dagen terug te geleiden naar Nederland, met een dwangsom bij niet-naleving. De proceskosten worden tussen partijen gecompenseerd.