ECLI:NL:RBOBR:2021:916
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde vrijstaande woning en onderbouwing vergelijkingsobjecten
Eiser betwist de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning per waardepeildatum 1 januari 2018, die door de heffingsambtenaar is vastgesteld op €618.000. Eiser stelt een lagere waarde van €554.000 voor en voert onder meer aan dat een open werktuigenberging verkeerd is gewaardeerd en dat bepaalde vergelijkingsobjecten ongeschikt zijn.
De rechtbank overweegt dat de heffingsambtenaar terecht is uitgegaan van een gesloten werktuigenberging en dat de waarde hiervan niet is betwist. De heffingsambtenaar heeft in beroep de vergelijkingsobjecten aangepast en onderbouwd met taxatierapporten en verkoopcijfers, waarbij rekening is gehouden met verschillen in bouwjaar, inhoud en perceeloppervlakte. De rechtbank wijst het beroep af omdat eiser geen toetsbare en verifieerbare onderbouwing heeft geleverd voor zijn lagere waardering.
Ook de door eiser aangevoerde bezwaren tegen de maatvoering van een vergelijkingsobject en het afnemend grensnut worden door de rechtbank verworpen. De berekeningen van de heffingsambtenaar ter controle van de maatvoering zijn voldoende en niet onjuist. De rechtbank concludeert dat de vastgestelde WOZ-waarde niet te hoog is en verklaart het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €618.000 wordt ongegrond verklaard.