Eiseres, een maatschap die melkvee houdt, kreeg een bestuurlijke boete opgelegd wegens overschrijding van de gebruiksnormen voor dierlijke meststoffen, stikstof en fosfaat, en het niet naleven van de mestverwerkingsplicht in 2014. Na bezwaar en beroep stelde de minister het voornemen tot boeteoplegging meerdere keren bij, mede naar aanleiding van uitspraken van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb).
De rechtbank oordeelt dat de minister bevoegd was om het voornemen tot boeteoplegging in te trekken en te vervangen door een nieuw voornemen, waarbij eiseres alsnog op de hoogte werd gesteld van de gehanteerde marges. Dit was niet in strijd met fundamentele rechtsbeginselen zoals het verdedigingsbeginsel of het ne bis in idem-beginsel. Ook mocht de minister een aanvullend rapport aan de boeteoplegging ten grondslag leggen, mits eiseres in de gelegenheid werd gesteld daarop te reageren.
De rechtbank constateert een overschrijding van de redelijke termijn van ruim vier jaar en matigt de boete daarom met 25%. Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het primaire besluit herroepen. De boete wordt vastgesteld op € 30.063,52. Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten.