Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
[verdachte] ,
Procedure
Beoordeling
Beslissing
- wijst de vordering van de officier van justitie af;
- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte
mr. H.M. Hettinga en mr. S.F. Dijkman, rechters,
Rechtbank Oost-Brabant
De rechter-commissaris had op 11 februari 2022 de bewaring bevolen in de strafzaak tegen verdachte, die op dat moment gedetineerd was in Penitentiaire Inrichting Zwolle Zuid 2. De officier van justitie vorderde vervolgens verlenging van de gevangenhouding voor de duur van 90 dagen. De rechtbank heeft het strafdossier bestudeerd en zowel de officier van justitie als de raadsman gehoord.
De verdediging verzocht om afwijzing van de vordering en subsidiair om schorsing van de voorlopige hechtenis. Na beoordeling oordeelde de rechtbank dat de gronden voor voorlopige hechtenis niet langer aanwezig zijn. De omstandigheden waren aanzienlijk veranderd sinds de aanhouding, waardoor het recidiverisico niet meer zodanig groot was dat voorlopige hechtenis gerechtvaardigd was.
De rechtbank nam mee dat de kinderen onder toezicht zijn gesteld en met een machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader wonen voor een periode van negen maanden. Tevens worden bijzondere maatregelen getroffen voor de omgang met verdachte in het belang van de kinderen. Op grond van het ontbreken van voldoende gronden werd de vordering van de officier van justitie afgewezen en het bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot verlenging van de voorlopige hechtenis af en heft het bevel tot voorlopige hechtenis op wegens het ontbreken van een actueel recidiverisico.